Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat hij het toch maar mocht uithouden tot Oejiji, waar hij medicijnen en goederen hoopte te vinden, en rust, zoo noodig in zijn treurige omstandigheden. Zóó ziek was hij, dat hij de dagen der week en de hoeveelsten der maand niet meer wist of kon onthouden. „Ik zag mij-zei ven liggen, gestorven, op weg naar Oejiji, en al de brieven die ik verwachtte daar — zonder eenig nut!" Herhaaldelijk moest hij aan zijn kinderen denken en hij werd met zorg over hen vervuld. ') Den 26en Febr. 1869 kon men hem aan het meer in een kanoe inschepen en den 14on Maart bereikte hij het zoo lang gewenschte Oejiji, op de oostkust van het meer gelegen. Om zijn beproevingen nog volkomener te maken, vond hij weinig of nagenoeg geen brieven en ontdekte hij dat de goederen die hij verwacht had te vinden, hier en daar in verschillende richtingen ver weg verspreid lagen. Slechts enkele kleine partijen waren aanwezig. Geneesmiddelen, wijn en kaas waren b.v. te Oenjanjembé achtergelaten, op dertien dagen afstandsl Tusschen daar en hier was men aan het oorlogen, zoodat de gemeenschap naar die plaats verbroken was en niemand kon worden afgezonden, om ten minste de medicijnen op te halen.

*) Later schreef hij te Oej ij i in een brief aan Agnes: „Het is mij nimmer in de gedachte gekomen vóórdat ik mij hier bevond, of Lord Palmerston — met zijn vraag of hij soms ook iets voor hem doen kon, zie bl. 283 — misschien niet bedoeld heeft, iets voor mij persoonlijk of mijn kinderen te doen. Ik dacht toen slechts aan mijn werk in Afrika en antwoordde dienvolgens." Slechts vrees dat het de zijnen aan het noodige zou kunnen ontbreken, veroorzaakte een voorbijgaande spijt dat hij aan Lord Palmerston een antwoord had gezonden, waarin hij zijn eigen belangen geheel voorbij zag.

Sluiten