Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werd hartelijk geklonken op elkanders gezondheid.

Nadat Livingstone voldoende hersteld was, werd besloten dat de beide reizigers samen het noordelijk gedeelte van het Ta nganj ik a-meer zouden onderzoeken, een tocht, die naar genoegen afliep en waarop wij hen niet zullen volgen. Liever geven wij aan, welke indrukken Stanley van Livingstone verkreeg en hoe hij over hem dacht. Op deze reis naar het meer leerde hij den man door en door kennen, „die — volgens hem — niets kon verbergen en op wiens gelaat men kon lezen wat er in hem omging." Hij leefde met hem van 10 Nov. 1871 tot 14 Maart 1872, reizende en trekkende, in een- en dezelfde tent wonend of huizend onder één dak; hij kon zijn doen en laten gadeslaan in het kamp en op marsch, en — steeds moest hij hem meer en meer bewonderen in de wijze, waarop alles door hem behartigd werd — hij, Stanley, die toch óók wist wat reizen was! Stanley die, in tegenstelling van „den grooten meester" Livingstone, om zijn korter lichaamsgestalte „de kleine meester" genoemd werd, hoorde dikwijls de ondergeschikten de respectieve verdiensten van hun „meesters" bepraten. „Uw meester," zeiden fijn bedienden tot die van Livingstone, „is een goed man, een heel goed man, doch de onze — o, hij is zoo scherp, zoo heet als vuur. ') „Het

J) Een aardig staaltje van Livingstone's gemoedelijkheid en betrekkelijke zachtheid deelt Stanley mede in het boven genoemde werk How I found Livingstone, bl. 498, voorgevallen op de reis naar het Tanganjikameer. Hij vertelt: „Toen wij den tweeden avond in het dorp van Moekamba (aan het meer, in een en dezelfde hut) waren, was 's dokters

Sluiten