Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aankomst van den troep, weder het binnenland in te trekken. Stanley beschrijft in zijn Journaal het afscheid als volgt, ') na eerst geschetst te hebben welke heerlijke dagen beiden samen tot nu toe met elkander hadden doorgebracht.

19 Maart (1812). — Bij het krieken van den dag waren wij reeds op; de balen en goederen waren buiten het gebouw gebracht en de mannen maakten zich gereed voor den eersten dagmarsch in de richting huiswaarts. Wij hielden een somberen maaltijd samen. Ik k o n niet eten, want mijn hart was te vol. Ook mijn makker scheen niet veel eetlust te hebben. Wij vonden dan dit, dan dat nog te doen, om nog maar wat langer bij elkander te kunnen blijven. Om acht uur was ik nóg niet weg, en het was mijn plan geweest al om vijf uur te vertrekken. — „Dokter — zeide ik — ik wil twee man achterlaten om vandaag en morgen nog bij u te blijven, want gij zoudt in de haast van mijn vertrek iets hebben kunnen vergeten. Ik zal te T oera een dag stilhouden, om op uw laatste woord en uw laatste wenschen te wachten. En nu moeten wij scheiden, daar is niets aan te verhelpen. Goeden dag!" — „O, ik ga een klein eindje met u mede. Ik wil u den weg op zien gaan." — „Heel vriendelijk van u! Nu, mannen, op huis aan! Kirangóri, de vlag omhoog en — voorwaarts inarsch!" — Het huis zag er verlaten uit; langzaam verdween het uit het gezicht.... Van uit dit huis ging ik op reis naar Oejiji; ik keerde er in terug als tot een vriend, met een nieuwer en dierbaarder makker. En nu verlaat ik beiden! Dat alles schijnt mij een vreemde droom toe. Wij stapten naast elkander. De mannen verhieven hun stemmen tot een zang. Ik vestigde lange blikken op Livingstone, om zijn gelaatstrekken voor goed in mijn geheugen te prenten. „De zaak is, dokter, voor zoover ik u begrijp, deze: dat gij niet van plan zijt naar huis terug te keeren vóórdat gij u zekerheid hebt verschaft over de „bronnen van den N ij 1." Als gij hierin voldaan zijt, dan zult gij naar huis komen en ook aan anderen betere voldoening geven. Is het niet zoo?" — „Juist, zóó is het. Als uw mannen terugkomen, dan ga ik onmiddellijk naar Oejipa vertrekken; ik sla dan, als ik de R o e n g w a-rivier ben overgestoken de richting naar het zuiden in en trek den uitersten rand van het Tanganjik a-meer om. Dan zal een tocht naar het zuid-oosten mij brengen bij Sjicoembi's dorp, aan de Loeapoel a-rivier. Deze ga ik over en direct het westen in naar de kopermijnen van K. a t a n g a. De inboorlingen verklaren dat de bronnen acht dagen zuidelijk van Katanga liggen. Als ik ze gevonden heb, keer ik naar Katanga terug voor de onderaardsche woningen van R o e a. Van deze holen zullen mij vier dagreizen noordoostwaarts voeren naar het Kamolond o-meer. Ik zal ') How / found. Livingstone, bij Henry M. Stanley, New-York, Scribner» Armstrong and Co. 1813, bl. 624, volgend.

Sluiten