Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wel kans zien van het meer uit, in uw boot, de L o e 1 i p a-rivier op te varen naar het L i n c o 1 n-meer. Dan kan ik, na weer afgedaald te zijn op de L o e a 1 a b a, noordwaarts naar het vierde meer gaan — dat, naar ik vermoed, het geheele vraagstuk zal oplossen." — „En hoe lang denkt gij dat deze kleine reis u in beslag zal nemen?" — „Anderhalf jaar op zijn best, van den dag af gerekend dat ik Oenjanjembé verlaat." — «Stel, gij zegt twee jaar: gij weet, er kan tegenspoed komen. Het zal daarom niet kwaad zijn de nieuwe mannen voor twee jaar te huren, den dag van de in-dienst-treding te rekenen als te beginnen bij hun aankomst in Oenjanjembé." — „Ja, dat zal zeer geschikt zijn." — „Nu, mijn waarde dokter, de beste vrienden moeten scheiden! (Jij zijt al een aardig eindje met mij mede gegaan; laat mij u nu mogen aanraden terug te keeren." — „Goed, maar dit wil ik u nog zeggen: gij hebt gedaan wat weinige menschen doen konden, véél beter zelfs dan enkele andere groote reizigers, voor zoo ver ik weet. En ik ben u dankbaar voor hetgeen gij voor mij gedaan hebt. God geleide u veilig naar huis en zegene u, mijn vriend!" — „En moge God u veilig tot ons allen terugvoeren, mijn beste vriend! Vaarwel!" — „Vaarwel!" — Wij drukten elkander de handen en ik moest mij nu weg spoeden, anders zou ik mij onmanlijk hebben gedragen. Doch Soesi en Sjoema en Homoïda — 's dokters getrouwe gezellen —, zij allen kusten en schudden mijn handen vóór dat ik mij kon wegmaken. Maar ik kon mij niet inhouden! Nóg eens: „goeden dag, dokter, — dierbare vriend!" — „Goeden dag!" — „Voorwaarts marsch! Waarom blijft gij staan? Vooruit! Gij gaat immers op huis aan?" — En ik dreef mijn volk voor mij uit. Nu geen zwakheid meer! Ik zal hen zóó laten marcheeren, dat zij nog wel eens aan mij denken zullen! In veertig dagen zal ik doen wat mij vroeger drie maanden aan den gang heeft gehouden!"

Omdat dit het laatste gesprek is, door Livingstone met een blanke gevoerd, gaven wij het in zijn geheel mede. Zes maanden later zag Stanley deze zijn aanteekeningen nog eens in. Hij schaamde zich niet bij de gedachte aan zijn teergevoeligheid in die dagen, en nü nog vulden zich zijn oogen met tranen bij de herinnering aan dat vertrek. „Vier maanden en vier dagen — zegt hij — leefde ik met hem in hetzelfde huis of in dezelfde boot of in dezelfde tent, en nimmer vond ik iets op hem aan te merken. Ik ben iemand die nog al haastig gebakerd is; dikwijls

Sluiten