Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nabij, van hut tot hut deden vluchten. Hij had, met behulp van eenige mannen, een geregelden strijd tegen hen te voeren door middel van vuur en rook, om toch maar van zijn pijnigers af te komen. Zelfs een ijzeren gestel zou dergelijke kwellingen, als thans werden doorstaan — vocht, natte koude en honger — stellig niet langer dan een maand hebben uitgehouden, hoe veel te minder een man die reeds zóó verzwakt was! En ware zijn troep niet goed aan tucht gewend en sterk aan hem gehecht geweest — een voorbeeld zonder wedergade in de geschiedenis van gevaarlijke expedities als deze — al het volk zou reeds lang naar de vierwindstreken verstrooid zijn geraakt. Livingstone zelf leed boven alle beschrijving. Omstreeks dezen tijd begon hij een ongedateerden brief te schrijven aan zijn oude vrienden Maclear en Mann: het was zijn laatste! Hij heeft hem niet kunnen eindigen en de brief is nooit verzonden. Dit schrijven is te lang om het hier weer te geven. Wij kunnen alleen zeggen, hoe daarin blijkt dat zijn geest tot op het laatste toe helder en krachtig is gebleven. Hij bevond zich op zijn laatsten verjaardag, 19 Maart 1873, vrij wel in dezelfde omstandigheden als even te voren geschetst, en schreef toen in zijn laatste dagboek: „Dank aan den Almachtige, den Bewaarder van menschen, die mij tot dusverre gespaard heeft op de levensreis! Zal ik eindelijk kunnen hopen op een goeden uitslag? Er zijn zoo vele hinderpalen opgerezen! Laat Satan niet de overmacht over mij hebben, o mijn

Sluiten