Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een van de stations werden zij toegejuicht door de Vrijwilligers. „Dat gejuich geldt ü," zeide Livingstone lachend tot den gezant. „Neen," zeide de Turk, „ik ben slechts wat mijn meester van mij gemaakt heeft; gij zijt wat gij zelf van u gemaakt hebt." Toen het gezelschap het Queens-hotel bereikte, stak een werkman haastig de straat over, greep Livingstone's hand en zeide: „Ik moet u even de hand schudden, klopte hem toen op den schouder en liep weer snel weg. „Gij zult nü toch niet ontkennen — zeide de gezant — dat dat u gold?"

In waarheid, ook Livingstone geloofde van zichzelven: ik ben slechts wat mijn Meester van mij gemaakt heeft; Hem komt de eer toe die de menschen mij geven. Hij beschouwde zich geheel als Gods werktuig en was te bescheiden, om het zich als een verdienste aan te rekenen dat hij „zijn best deed als hij in dienst van zijn God werkte aan het godsdienstig en maatschappelijk heil van zijn geliefd Afrika. Doch wij, thans nader bekend geworden met zijn leven, zouden hem, evenals die werkman, de hand hebben willen drukken en op den schouder kloppen, om hem te kennen te geven dat hij door zijn karaktervol leven en door zijn voorbeeld niet alleen Afrika, maar ook ons beter heeft gemaakt dan wij waren, vóórdat wij hem kenden.

Sluiten