Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooral sedert hare moeder haar reeds vroeg door den dood was ontvallen. Te Norwich, de garnizoensstad, waar John Gurney woonde, als hij niet buiten op zijn landgoed vertoefde, was het gezelschapsleven vroolijk en opgewekt; en Elizabeth deelde er in zoo goed als hare zusters. Ook zij hield van paardrijden, van den dans, van den zang en droeg naar de mode dier dagen lage roode schoenen en een rood rijkleed. Reeds vroeg echter openbaarde zich in haar gemoed een zoeken en streven, zij wist zelve niet recht naar wat, en dat zich uitte in menige aandoenlijke klacht in haar dagboek. In 1796, toen zij zestien jaren oud was, teekende zij daarin aan: „Ik ben als een schip in volle zee, zonder „stuurman; mijn hart en gemoed zijn overvol, — had „ik maar iemand op wie ik mij kon verlaten ... Ik zie „alles in duister; ik weet niets; alles schijnt mij ijdel„heid ; ik twijfel aan alles." Een jaar later schreef zij nog: „Ik ben niets dan een zeepbel zonder schoonheid van ziel of van gemoed. Dagelijks zink ik dieper „weg in eigen schatting. Wat zoude het heerlijk zijn, „als ik mijnen tijd en mijne gedachten goed wist te „vullen. Ik ben nu zeventien; maar tenzij er een wonder „aan mij geschiedt, zullen mijne gaven door roest en „mot worden verteerd; zij zullen hunnen glans en „hunne kracht inboeten en mij ten vloek worden in „plaats van ten zegen. Vreeselijk om in te denken."

Die kreet als van het hert naar de waterbeken bleef

Sluiten