Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op hare reizen gezien, verklaarde zij, dat ongelukkige jonge vrouwen, veroordeeld om eene betrekkelijke kleinigheid als diefstal van eenen zilveren lepel of het wegloopen uit haren dienst, stonden onder bewaking van eenen man, wiens sleutel ten allen tijde, bij dag en bij nacht, hare deur kon ontsluiten en hem toegang verleenen tot haar verblijf. Ook meende zij uitdrukkelijk te kunnen verzekeren, dat, beter dan een aantal mannelijke suppoosten, wier zedelijk peil bij deze overmacht gewoonlijk daalde, eene enkele matrone orde kon houden onder een menigte vrouwelijke misdadigsters; want deze laatste kon voortdurend en overal bij haar zijn, haar onderwijzen in vrouwelijke bezigheden en door haren omgang haar ten voorbeeld strekken. Als opzichteressen vond zij echter dikwijls aangesteld personen, die voor dat ambt niet deugden en maar al te vaak, klaagt zij, worden zij benoemd om haar aan eenige verdienste te helpen, om haar een baantje te bezorgen; „en toch," zoo betoogde zij, „zij mogen „enkel en alleen worden gekozen, omdat zij inderdaad „geschikt zijn voor dat werk." Levendig betreurde zij het, dat tot nog toe mannen en vrouwen wel in verschillende afdeelingen waren gescheiden, maar meest toch nog ondergebracht in één gebouw; volstrekte scheiding achtte zij noodig ter handhaving van strenge tucht en ook omdat die scheiding de gevangenisstraf als straf voor de veroordeelden aanmerkelijk verzwaarde.

5*

Sluiten