Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op tal van plaatsen eene afdeeling harer vereeniging voor gevangenisbezoek had opgericht. In 1840 stak zij voor de derde maal over naar het vaste land van Europa en begaf zich over Gent en Vilvoorden naar Brussel, waar zij in audiëntie werd ontvangen door koning Leopold, die haar oordeel over de Belgische gevangenissen wenschte te kennen. Vandaar begaf zij zich over Hanover naar Berlijn, waar zij aan het Pruisische hof met groot eerbewijs werd ontvangen en waar zij de gelegenheid aangreep om bij den kroonprins, later Keizer Wilhelm I, te pleiten voor de belangen der Lutherschen in Pruisen, die daar wel niet meer aan vervolging bloot stonden, maar toch noch waren onderworpen aan allerlei drukkende bepalingen en in het openbare leven achtergesteld bij de Hervormden. De kroonprins bracht dit over aan den koning en een verzoekschrift, daarop door haar ingediend, vond een bereidwillig gehoor en leidde in vervolg van tijd tot verschillende verbeteringen van oude en verouderde verhoudingen.

Het volgende jaar vertrok zij weder naar het vaste land , al begonnen hare krachten merkbaar af te nemen. „Ik ben in den laatsten tijd ver van wel", schreef zij in haar dagboek; „ik zie het einde mijns levens zeer ' „nabij, en ik moet mij haasten om te doen wat de Heer „mij te doen geeft." Ditmaal was zij vergezeld, niet door haren echtgenoot, maar door haren broeder Joseph

Sluiten