Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„brood en voor een paar nachten een onderkomen kon„den verdienen.

„Ik meldde mij aan dit correctie-huis met verzoek om „te worden toegelaten. Men bracht mij in een groote, „donkere zaal, waar ik ruim twee honderd vrouwen en „meisjes bijéén vond. Ik zette mij te midden van die „allen even als zij op den grond neder en begon ook „touw te pluizen. Zij lachten mij allen uit, zeggende, „dat mijne vingers niet gemaakt waren voor dat soort „van werk, wat zeker waar was; maar al lachende wer„den wij goede vrienden. Ik vroeg haar eenige teksten „van buiten te leeren om mij die dan te herhalen als „ik terug kwam; en nog zie ik ééne van haar, een „mooi, groot, donkerharig meisje opstaan in onzen „kring te midden van hoopen vochtig en geteerd touwwerk om met eene heldere, vaste stem, zonder haperen „uit het prachtige 14de hoofdstuk van het Evangelie van „Johannes de verzen op te zeggen: Vrede laat ik U, „mijnen vrede geef ik U; Uw hart worde niet ontroerd „en zij niet versaagd. Zij had dat gedeelte zelve ge„kozen. De arme, ongelukkige, havelooze vrouwen, „sommigen van haar verbitterd, verwilderd en misdadig „van zin, luisterden eerbiedig zwijgend toe. Het groote, „donkere meisje had mij den weg gebaand en ik maakte „er gebruik van om te zeggen: laat ons nu samen „nederknielen en dien Jezus aanroepen, die de woorden, „welke gij gehoord hebt, gesproken heeft. Allen knielden

Sluiten