Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoolmeesters behooren te wezen; ten andere, of dezen schoolmeesters der plaatsen, daar men van handelt, voortijds eene verordende of bestelde belooning gegeven is; ten derde znllen zij van de Overheid begeeren, dat het hun geoorloofd zij, eenen schoolmeester te stellen en dat de Overheid bevele, dat onderhoud te betalen, hetwelk eertijds plag betaald te worden; ten laatste zullen zij zorgen, dat de schoolmeesters de belijdenis des geloofs onderschrijven en zich der discipline onderwerpen; ook mede den Catechismus en andere dingen, die der jeugd nuttig zijn, te leeren." — De Nationale Synoden later te Dordrecht 1578, te Middelburg 1581, te 's-Gravenhage 158G en 1591 gehouden, hielden zich eveneens met het onderwijs bezig.

Maar ook de Staat betoonde zich ten opzichte der lagere scholen niet onverschillig. De menigte schoolreglementen uit de eerste tijden der republiek toonen, dat de grondleggers, verdedigers en bestuurders van het nauwelijks gevestigde Gemeenebest, vooral een Willem I en zijn bloedverwant Willem Lodewijk, overtuigd waren van het belang van een wel geregeld onderwijs. Nauwelijks was de Unie van Utrecht in 1579 tot stand gekomen, of de Staten van Friesland vestigden hunne aandacht op het schoolwezen in hun gewest. Zoo ook de Staten van Holland en West-Friesland, van Zeeland, van Utrecht, van Gelderland, enz. Men bepaalde, dat men den schoolmeesters zooveel mogelijk voldoende jaarwedden zou geven; dat men behoorlijke examens moest vaststellen, «alvorens iemand, hetzij mansof vrouwspersoon binnen en buiten de steden zich onderwinde, eenighe schole te honden ofte kinderen te leeren;" dat men de onderwijzers zou salariëeren uit de kosterijen en beneficiale goederen, enz. En in al deze bepalingen ging men uit van de overtuiging r »dat tot opbouwinge van een goede republiek en tot welstand van het land er niet weinig aan gelegen is, dat de jonkheid van kindsbeen wel worde opgevoed in de vreeze en rechte kennisse Gods en in alle goede kunsten en zeden van der jeugd aan onderwezen." Yooral ook daarom gaf Jonkhr. Willem van Zuylen van Nyevelt onder den naam van Souterliedekens zijn berijmde Psalmen Davids uit, opdat «der jonge jeugd een oorzaak kon worden gegeven, om in de plaats van de zotte, vleeselijke liedekens wat goeds te zingen, daar God door geëerd en zij door gesticht mogen worden", en waren de schoolmeesters gehouden «hunne discipelen nevens het lezen,

Sluiten