Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals Hulshoff en Chatelain wilde hij de kinderen God eerst doen kennen uit Zijne werlcea, terwijl z. i. de vorming van verstand en hart moest uitloopen op het worden van een nuttig en gelukkig mensch.

Men ziet hiernit, dat deze drie mannen uitgingen van de grondstellingen van Locke en Rousseau.

De godsdienst, dien ze wilden, miste alle diepte en bestond grootendeels uit lessen over deugd en zedelijkheid.

In 1779 schreef het Zceuwsch genootschap der wetenschappen te Vlissingen eene prijsvraag uit over de verbetering der scholen. Aan H. J. Krom (1738—1804), professor in de kerkelijke geschiedenis en predikant te Middelburg, werd de gouden eerepenning toegekend. Omdat hij evenwel lid van het genootschap was, kon bij, volgens de wetten er van, niet bekroond worden. Daarom werd de eereprijs toegewezen aan den reeds genoemden K. v. d. Palm (1730—1789, vader van den beroemden redenaar J. H. v. d. Palm), toen kostschoolhouder te Delftshaven. D. C. van Voorst, destijds predikant te Cadzand, later te Amsterdam, werd, als schrijver van een derde antwoord, een zilveren eerepenning toegekend. Het genootschap gaf deze drie verhandelingen als één geheel uit, waarbij de Leidsche Hoogleeraar G. J. Nahuis (1738 —1781) nog een aanhangsel voegde, behelzende uittreksels over opvoeding uit zijn eigen werken en beoordeelingen der verhandelingen.

Krom schreef: «Inderdaad, wat men ook moge bijbrengen, aan het naarstig inscherpen der Evangelieleer, aan den godsdienst van Jezus Christus moet buiten twijfel de eerste plaat* worden ingeruimd, onder al hetgeen immermeer tot beschaving eener natie heeft kunnen strekken." Hij wenschte, »dat naast Bijbel en Catechismus elke week over het geleerde in de kerk onderhouden en het Psalmgezang niet verzuimd worde." Van der Palm verklaarde zich tegen het gebruik van den Catechismus voor kinderen van 7—9 jaren en het pijnigend van buiten heren, waardoor men de kinderen tot slaven maakt en afkeer en verdriet inboezemt tegen hetgeen hun tot wezenlijk heil kon dienstig zijn. Van Voorst, mede een voorstander van het godsdienstig onderwijs, prees vooral het gebruik der gelijkenissen in de school aan.

In de drie verhandelingen was niet gesproken over het eigenlijke Bijbellezen in de school, welk gemis men daarom in de bijgevoegde aanmerkingen heeft trachten te herstellen. Daarin werd een verstandig

Sluiten