Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al gingen zij hierin niet zóóver als Locke, Basedow, enz., diegeheel het!" onderwijs tot een spel maakten en van straf haast niet wilden hooren; die voor den jeugdigen mensch slechts eergierigheid en het streven naar de goedkeuring der mensrhen tot de belangrijkste drijfveeren van hun handelen wilden maken, toch wisten ze bij het navolgen dezer buitenlandsche schoolhervormers niet genoeg den vorm van liet wezen te onderscheiden en de wezenlijke verbeteringen over te nemen, met verwerping der in den grond goddelooze beginselen. Waren ze allen zoo positief geweest als een Hierony mus van Alphen, die op dit alles een gelukkige uitzondering vormde, ze zouden, met behoud van de oude, beproefde grondslagen, veel nut en voordeel hebben kunnen trekken van de opvoedkundige lessen, in de werken van Rousseau, Locke, enz. zoo ruimschoots te vinden. Dat deden ze echter niet. Ze aanvaardden de grondstelling dezer vreemde wijsgeeren, dat men zich niet moest haasten, den kinderen den geopenbaarden godsdienst te doen kennen, maar veel liever den Bijbel voor de leerlingen moest verbergen, ja zelfs verhinderen moest, dat anderen hen daarmee bekend maakten. Zij verachtten daardoor, wat de Heiland gebood: »Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert hen niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods." I)e maatschappij tot Nut van 7 Algemeen, in 1784 tot stand gekomen, ging in hun voetspoor voort en is daardoor de voornaamste oorzaak geworden van de ontkerstening der lagere school.

DERDE TIJDPERK. (1784—1806.)

HOOFDSTUK X.

De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en haar streven. — Hendrik Wester.

Geene maatschappij heeft meer rechtstreekschen invloed op het lager onderwijs hier te lande uitgeoefend, dan die, welke in 1784 onder de zinspreuk: Tot Nut van VAlgemeen, door .T. Nieuwenhnizeu (1724—180G), Doopsgezind predikant te Monnikendam, werd

Sluiten