Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van ons land. In deze betrekking trok vooral het onderwijs zijne aandacht. De Secretaris-generaal Hendrik van Stralen en de amenuensis Adriaan van den Ende stelden te zamen een ontwerp van wet op, de raadpensionaris keurde het goed en zoo kwam de wet van S April 1806 op het lager onderwijs in Nederland tot stand, volgens welke het lager Schoolwezen in ons vaderland eene halve eeuw lang is ingericht geweest. Had de wet van 1803 de onderscheiding weggenomen tusschen openbare en bijzondere scholen, zoodat iedereen gedwongen was van het openbare onderwijs voor zijne kinderen gebruik te maken, ook al kon hij er zich niet mee vereenigen, de wet van 1806 onderscheidde zich hierin gunstig van hare voorgangster, dat zij het oprichten van bijzondere scholen vrij liet, al moedigde zij die volstrekt niet aan.

Vraagt men naar de oorzaken, die in het korte tijdsbestek van vijf jaren eene drieërlei wetgeving ten gevolge hadden, men vindt die in de verschillende partijen, die in ons land elkander de oppermacht betwistten: sommigen wilden een bondgenootschappelijk beheer (foederalisten ) en anderen waren voorstanders van een centraal Bestuur en de een- en ondeelbaarheid van de Bataafsche republiek (unitarissen). Zoo ademde de wet van 1801 meer een geest van centralisatie bij het algemeen — en van vrijheid bij het gemeentebestuur. Zij regelde voornamelijk de zaken der openbare scholen; voor de oprichting van bijzondere werd eene groote ruimte gelaten. Alle zaken, betrekkelijk het onderwijs tusschen de plaatselijke autoriteiten en het uitvoerend bewind, werden afgedaan door tusschenkomst van Departementale schoolopzieners. Verzekerden deze verordeningen aan de hooge regeering een krachtige inwerking op het schoolwezen, de wet van 1803 bracht, naar den gevvijzigden geest, een groot gedeelte van het beheer op de gewestelijke besturen over. Beide deze wetgevingen omschreven het zedelijk beginsel van het onderwijs aldus: »Het onderwijs zal zoodanig moeten worden ingericht, dat de vermogens der kinderen door hetzelve ontwikkeld en zij tot redelijke wezens worden gevormd; dat wijders in hunne harten worden ingeprent de kennis en het gevoel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen, aan de maatschappij, aan hunne ouders, aan zichzelve en aan hnnne medemenschen verschuldigd zijn, zonder dat echter in de gewone schooltijden eenig godsdienstig onderricht zal mogen gegeven worden in het leerstellige, hetwelk door de onderscheidene kerkgenootschappen

Sluiten