is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschillend wordt begrepen." (Art. 4 wet v. 1*03). Met recht mag men van zulk een art. zeggen: „Wanneer men de beteekemsjan den term Opperwezen, overeenkomstig het spraakgebruik va «revende kringen van dien tijd in 't oog houdt, kan niemand ontkennen, dat het Christendom in deze wet geheel is verloochend dat zg «en goed door een heiden, als Cicero b.v. had kunnen *gn m gevaagd. (Dr. J. Woltjer. »Wat is het doel v. h. C. Is. S.. blz. . ■)

VIERDE TIJDPERK. (1806-1842.)

HOOFDSTUK XII.

Inhoud, geest en strekking der Schoolwet van 1806.

De invloed der Kerk werd onder de wet van 1806 ook nog eenigazins gezien. Evenals in 1801 werd ook nu weer het schoolopzicht aan een betrekkelijk groot aantal predikanten toevertrouwd. En a waren dezen niet daarvoor aangewezen, omdat zij bedienaars van den godsdienst waren, toch was hun invloed op de school met betrekking tot het godsdienstig onderwijs gunstig en zochten zij ook bij de examens en bij het vervullen van vacatures in goeden z,n te werken Omdat die invloed echter niet in de wet geworteld was, kon het voorzien worden, dat hij bij het toenemend ongeloof spoedig

moest verdwijnen. „

Het beginsel van gemengde scholen stond bij de wet \an 1806 oj den voorgrond, d. w. z. van scholen, voor leerlingen van verschillende geloofsbelijdenissen toegankelijk. Daardoor kon het op den dun niet uitblijven, dat men een onderwijs afkeurde 't welk verplicht was de godsdienstige denkbeelden des geheelen volks te eerbiedigen Mr Gr. v. Prinsterer zegt in zijn Handb. d. Gesrli. v. . '"

er van: *De maatregel vergelijkenderwijze en voor dien tijd heilzaam. Het stelsel verkeerd. Vereeniging der {Chnstelyke) gezindten op de school van overheidswege, in het belang van volkseen e en nationale kracht. Weinig of geen bezwaar, zoolang een gezindte oppermachtig is of onverschilligheid voor den godsdienst den bov entoon heeft. Maar kiem van onchristelijkheid; de school is christelijk,