Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor zoover (quatenus) de algemeenheid van haar inrichting dit vergunt. Kiem van dwang; voor de bijzondere school is autorisatie noodig en zal niet aan een school, niet voor allen toegankelijk (sektarisch en anti-nationaal!) worden verleend."

Art. 22 der wet van 1806 zegt: »Alle schoolonderwijs zal zoodanig moeten worden ingericht, dat onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, de verstandelijke vermogens der kinderen ontwikkeld en zij zeiven opgeleid worden tot alle maatschappelijke en Christelijk'' deugden." En art. 23: «Terwijl vastgesteld wordt het nemen van maatregelen, om de schoolkinderen van het onderwijs in het leerstellige van het kerkgenootschap, waartoe zij behooren, geenszins verstoken te doen blijven, zullende het geven van dit onderwijs niet geschieden door den schoolmeester(Wij cursiveeren). Het voorbereidend godsdienstonderwijs werd dus als taak der school aangewezen, terwijl het vormend godsdienstonderwijs aan de Kerk moest worden overgelaten. Hoewel onder dat voorbereidend godsdienstonderwijs slechts een samenstel van waarheden uit den natuurlijhen godsdienst werd verstaan, toch maakte het een nog in waarheid christelijk godsdienstig onderwijs mogelijk, zoolang het schooltoezicht aan geloovige mannen was toevertrouwd en liet toongevend gedeelte der natie nog niet geheel zijn christelijk gehalte had verloren.

Ook art. 6 der Algemeene Schoolorde (uitgevaardigd 23 Mei 1806) bood den geloovigen onderwijzer nog gelegenheid genoeg, om de kinderen uit Gods Woord te onderwijzen en ze in het Psalmgezang te oefenen, van welke gelegenheid in het eerst algemeen een goed gebruik werd gemaakt. Dat art. 6 toch schreef voor: »De schooltijd zal, hetzij wekelijks, hetzij dagelijks met een kort en gepast Christelijk gebed, op een eerbiedige wijze ingericht, geopend en gesloten worden en zal bij dezelfde gelegenheden ook iets toepasselijks mogen gezongen worden."

In de verordeningen op het afnemen der examens werd voorgeschreven : »dat men voor het eigenlijk examen zooveel mogelijk de zedelijke en godsdienstige denkwijze en beginselen van hem, die zioh aanbiedt, zal trachten te ontdekken" (art. 8), en in art. 11 werd gezegd, dat men de candidaten vragen zou, sin het algemeen over de geschiktste middelen om, niet alleen het verstand der kinderen te ontwikkelen en te beschaven, maar ook inzonderheid om hen op te leiden tot Christelijke deugdbetrachting."

Sluiten