Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijs, maar ook dat het getal scholen niet te zeer vermeerderde. »Eeo groot bezwaar tegen de Wet van 1806 is, dat ze eigenlijk geene regeling is voor de lagere scholen en 't lager onderwijs, maar alleen dient tot instelling en regeling van 't school opzicht en ter bepaling der vereischten van de onderwijzers. Over den aard, omvang en strekking van 't onderwijs zelf zwijgt de wetgeving genoegzaam geheel.r (I)r. H. J. X assan. ^Geschriften", blz. 86).

HOOFDSTUK XIII.

Bijzondere scholen der eerste en tweede klasse. — Het onderwijs gedurende de inlijving bij Frankrijk.

De wet van 1806 onderscheidde de scholen in openbare en bijzondere scholen. De bijzondere scholen werden weer gesplitst in :

1°. »de zoodanige, die óf bij uitsluiting behooren, hetzij tot eenige Diakonie of eenig Godshuis, van welke gezindte dan ook, hetzij tot de Maatschappij Tot nut van H Algemeen, hetzij tot eenig ander geheel op zich zelf staand gesticht, óf ten eenenmale komen ten koste en ten laste van een of meer bijzondere personen, die zich tot derzelver oprichting en geregeld en toereikend onderhoud verbonden of onderling vereenigd hebben;

2°. »de zoodanige, die zonder eenigerhande vasten onderstand of bezoldiging. Iiaar onderhoud geheel en al vinden uit het provenu van de schoolgelden en kostpenningen der af- en aankomende leerlingen."

De bijzondere scholen der tweede klasse gingen bijgevolg alleen van den onderwijzer uit en wij zouden ze dus noemen scholen voor eigen rekening.

Dat de wet van 1806 deze twee klassen van bijzondere scholen toeliet, daarin onderscheidde zij zich gunstig van die van 1803. Wij wezen daar reeds op. De voorwaarden evenwel, waarop deze bijzondere scholen werden toegelaten, waren verre van aanmoedigend. Moeilijk valt het zelfs te ontkennen, dat ze eerder geschikt waren, om het bijzonder onderwijs allengs geheel te verdringen, dan om het aan te moedigen als een redmiddel voor hen, die met het openbare

Sluiten