Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den ijver voor schoolhervorming in vele opzichten te ver was gegaan. Reeds een door de Maatsch. t. N. v. h. Algem. bekroond schrijver moest klagen «dat alle godsdienstig onderwijs van de scholen verbannen is." Menig gebrek wees ook de schrijver der Vrijmoedige brieven, H. W. C. A. Visser, over den tegenwoordigen staat van het lager onderwijs en schoolwezen in het Koninkrijk der Nederlanden (1822) aan. De Bijbel werd hoe langer hoe meer op school terzijde gesteld, hetzij op aanraden van schoolautoriteiten, hetzij uit eigen beweging van den onderwijzer. Men oordeelde, dat dat boek niet voor kinderen geschreven was en daarom ook niet op school te huis behoorde. Reeds in 1819 waren de voorschriften aangaande het Bijbellezen reeds dermate in het vergeetboek geraakt, dat de Afd. Zaandam aan de Algem. verg. van het Bijbelgenootschap de vraag moest doen: »Of er niet van wege het genootschap eene poging zou kunnen worden aangewend, ten einde het gebruik des Bijbels in de lagere school meer algemeen te maken ?" Het volgend jaar kon er gerapporteerd worden »dat er hier en en daar iets goeds te dien opzichte

verricht en tot stand gebracht is Het luidt ook eenigszins

vreemd, dat de Koran op alle Mohamedaansche scholen het boek van het kind en van den jongeling is, en dat hierdoor de aanhangers van den profeet hunne beginselen het meest vestigen en er kracht en duurzaamheid door erlangen. Beschamende en vernederende tegenstrijdigheid uit den geest des tijds geboren." — Het verlangen van het Bijbelgenootschap bleef evenwel grootendeels onvervuld en had nog minder kans om vervuld te worden, nu de Roomschen steeds meer aandrongen op wetsverandering, wijl de Bijbel nog op de school gebruikt werd. Dr. H. H. J. Nassau schreef daarover: »Een der hoofdbezwaren der R.-Katholieken is, dat men op de openbare school den Bijbel ieest. Niemand, ook de ijverigste Protestant, kan de gegrondheid daarvan ontkennen. De wet echter wil geen kerkelijk onderwijs; er is gehandeld tegen de wet. Niet de verandering, maar de handhaving der wet moest, in het onderhavige geval, verlangd worden." (Zie sGeschriften," blz. 61).

De Hervormde Kerk liet de school aan haar lot over. Zij steunde het streven der regeering zelfs, om door terzijdestelling van het leerstellige een algemeene verbroedering te bewerken. En toch, had zij haar plicht verstaan, die hooggeroemde en noodlottige vereenigiug van alle gezindheden, waardoor elk Christelijk en Protestantsch onder-

Sluiten