Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eene nieuwe schoolwet aan te bieden. Het hoofdbeginsel er van was vrije uitoefening van het onderwijzei'sambt. Zonder voorafgaande autorisatie mocht nn ieder, die de noodige bewijzen van bekwaamheid en zedelijkheid bezat, daar waar hij 'tgoed vond, eene school openen. Deze wet vond evenwel noch in, noch buiten de Kamereenigesympathie, zoodat zij weldra ingetrokken en vervangen werd door het koninklijk Besluit van 27 Mei 1830, waarbij de autorisatie tot het oprichten van lagere scholen overgelaten werd aan de gemeentebesturen, onder goedkeuring van de Gedeputeerde Stiifei). Door deze verordening kreeg de Roomsche geestelijkheid in de meeste plaatsen der Zuidelijke Nederlanden de overhand. Ook de verplichting tot het bijwonen deilessen van 't Collegium werd opgeheven, zoodat feitelijk al de Regeeringsbesloiten van 1825 waren ingetrokken. Hoe men echter ook door dit alles aan de bestaande grieven eenigszins poogde tegemoet te komen, het was — te laat. België verklaarde zich vrij en wilde van geen hereeniging meer weten.

De Regeering had er naar gestreefd, om door het verbreiden van beschaving en verlichting, van Christelijke moraal, afgescheiden van elke geloofswaarheid, de verbroedering te bewerken van Protestant en Roomsch-Katholiek, van Noorden en Zuiden. Hoe zag ze zich thans teleurgesteld. Hare poging, om het stellig godsdienstig onderwijs buiten de school te sluiten leed in België schipbreuk »op het geloof der bevolking, op den ijver der geestelijkheid en op de rechten der Roomsch-Katholieke Kerk. De doordrijving van dit plan, hetwelk zich allengs tot het onderwijs der geestelijkheid zelve uitgestrekt heeft, is eene der voornaamste redenen geweest der scheuring van het Rijk, terwijl door een tegenovergesteld systema wellicht de grondslag eener duurzame Nederlandsche monarchie had kunnen worden gelegd." Deze woorden van Mr. Groen v. Prinsterer, voorkomende in Dl. II. blz. 103 zijner Verspreide Geschriften, behelzen diepe waarheid.

Sluiten