Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gevolgen zijn onverschilligheid en ondermijning vau allen geopenbaarden godsdienst; Cousin prees de organisatie van ons onderwijs, doch hij kon niet hegrijpen, hoe men opleiden kon tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden zonder een positief Christelijken grondslag. Hij vroeg, of de Christelijke zedenleer, in de scholen beoefend, abstract en wijsgeerig was? Zoo ja, dan meende hij, dat zij wel zeer „onbeduidend en zwevend moest zijn." Later heeft hij een verslag uitgegeven van zijne onderzoekingen hier te lande. Daarin maakt hij ook melding van zijn bezoek bij den heer Prinsen te Haarlem. Prinsen had hem verzekerd: »wij nemen hier Iioomsch-Katholieken aan en Protestanten en zelfs Joden; maar deze laatsten zijn alleen bij de lessen va» liet Oude Testament tegenwoordig." — »Voeg hierbij', zoo schrijft Cousin, »de woorden, welke de heer Van den Eude tot mij sprak: het onderwijs moet Christelijk, maar voor de Joden niet aanstootelijk zijn — en gij zult de meest uitkomende eigenaardigheid in Holland kennen .... De Duitsche gewoonte is daarvan gansch verschillend. Daar is geen enkele school voor eerst of lager onderwijs, waar niet op de eenvoudigste wijze de Christelijke waarheid, die voor de armen van geest zoowel als voor de geleerden geschikt is, in hare meest algemeene leerstellige beginselen en de zedelijke gevolgen, die er uit voortvloeien, als de vaste grondslag van bijzondere en volksdeugden geleeraard wordt. Ik houd het met Duitschland. Ik moet erkennen, dat die volstrekte afscheiding van Kerk en School mij toeschijnt niets beter te zijn, dan hare algeheele vermenging. Men zou hier nog wel een middelweg kunnen betreden, doch Holland is er verre van af dien in te slaan."

In 1833 werd Hofstede de Groot, professor te Groningen, tot schoolopziener benoemd. Door hem verkreeg de Groninger school veel invloed op het onderwijs, ja, haar streven werd het hoe langer zoo meer, om door het lager onderwijs propaganda voor hare beginselen te maken. Deze school kenmerkte zich door oppervlakkigheid. Zij stond te veel hij het uitwendige stil, dan dat zij tot het inwendige, het wezen der dingen kon doordringen. Van al wat kerkelijk is en de verschillende kerkgenootschappen kenmerkt, wilde ze niets weten. Zij wilde van geen vrije genade, verzoening en algeheele vernieuwing des harten hooren; alleen het Evangelie wilde zij, d.w.z. het ideaal menschel ijke in de verschijning van Christus, en prees dat als voorbeeld aan. Gemengde scholen moesten er daarom, volgens

Sluiten