is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selen dier maatschappij waren toegedaan, vele openbare onderwijzers, en*, wendden zich tot den koning om het behoud van het bestaande schoolstelsel. Men vreesde de slooping van het geheele gebouw van het onderwijs; men zag reeds in de toekomst een toestand in ons land op het gebied van het schoolwezen ontstaan, als men na de afscheuring in België kon waarnemen. Prof. Siegenbeek schreef een open brief aan Groen van Prinsterer, waarin hij zijne bedenkingen inbracht tegen de wijzigingen, die gewenscht werden De bisschop van Luik, Van Bommel, de H.H. Broere en Van Vree schreven ongevraagde antwoorden op dien brief. De Hoogleeraren Th. van Swinderen en Hofstede de Groot eischten evenals prof. Siegenbeek handhaving van het bestaande. Zoo ook Dr. P. de Raadt en r. . J Nassau. De laatste meende, dat het Bijbellezen in de volksschool niet op zijne plaats was. Hij wenschte zuiver burgerlijke scholen, met de liefde tot God als grondslag van alle opleiding tot deugd en

Aan de Commissie was eene maand tijds gegeven voor haar onderzoek. In Dec. 1840 bijeengekomen, diende zij in Januari 1841 haar rapport in met de daarbij gevoegde nota's. Onder deze nota's was er ook eene van Groen. De meerderheid der Commissie had Insloten om alleen kennis te nemen van de ingekomen adressen, dus alleen' van de klachten, door de R.-Katholieken ingebracht. Groen was evenwel van oordeel, dat men de bezwaren van allen, die door het bestaande schoolwezen werden gedrukt, ter toetse moest brengen. Vandaar zijne nota, over »de eenzijdige beschouwing der Commissie In zijne nota noemde Groen den geest, die het openbaar onderwijs bezielde, «ongodsdienstige godsdienstigheid" en drong hij aan op' splitsing der openbare school naar de gezindheden, al waarschuwde hij tegen overhaasting.

Drie leden der Commissie verklaarden zich tegen de vrijheid van onderwijs. Behoudens autorisatie was er immers voor een ieder vrijheid om een bijzondere school der tweede klasse op te richtenGroen merkte daartegen op: «Behoudens autorisatie vrijheid te hebben is, dunkt mij, ook de vrijheid van den slaaf."

De Roomsch-Katholieke leden, twee in getal, wenschten vrijheid om scholen op te richten zonder voorafgaande autorisatie, doch wenschten deze vrijheid alleen toegekend te zien aan kerkgenootschappen en kerkelijke gemeenten, waartegen Groen protesteerde