Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tuigd van was, dat de Bijbel, Gods Woord, eu het vrij en onbelemmerd gebruik daarvan op de scholen, het heiligste, het dierbaarste erfdeel is, dat wij van onze vaderen ontvingen, waarbij de dure verplichting op ons rust, dat wij behouden moeten, wat God ons gaf .'

Wij kennen de historie. De Commissie was in weinig homogeen. Gaarne zou de Koning tegemoet gekomen zijn aan de wenschen van Groen eu zoovele andere geloovige Protestanten .n Nederland en onbeperkte vrijheid hebben verleend ter oprichting van scholen, maar — in Juni 1841 had Schimmelpenninck van der Oye het ministerie van Binnenlandsche Zaken aanvaard en die was er tegen.

Het K. Besluit van 2 Jan. 1812 gaf niet, wat Groen in zijne 3 ota, door hem in 1840 als lid der Staatscommissie over het lager onderwijs aan den Koning ingeleverd, had gevraagd en waarbij hij »en het streven naar splitsing der openbare school, èn, zonder uitstel, als eisch en recht van het geweten, vrijheid van onderwijs" verlangde. Art. toch van het Kon. Besluit van 27 Mei 1830 luidde: »De autorisatie bij de thans bestaande verordeningen vereischt tot het oprichten van lagere scholen, zal voortaan in het geheele rijk verleend worden, in de stedeu door de stedelijke besturen, ten platten lande door «le plaatselijke besturen, onder goedkeuring van Gedeputeerde staten der provincie, alles nadat de noodige inlichtingen zullen zijn ingewonnen omtrent het doel, den aard en de inrichting der op te richten scholen." Daardoor was men dus bij het oprichten van Christelijke scholen geheel en al afhankelijk van de plaatselijke besturen, zonder dat men zich bij voorkomende weigering van de gevraagde autorisatie op iemand nader kon beroepen. En die plaatselijke besturen waren, gelijk ons reeds bleek, meestal tegen Christelijk onderwijs en maakten op de meest kleinzielige wijze misbruik van hun recht om vergunning te verleenen of te weigeren En dit kwaad werd niet verholpen door wat art. 6 van het Kon. Bestuit van IS .. bepaalde: »Bij uitbreiding van art. 1 van het Kon. Besluit van i7 Mei 1830 zal, wanneer iemand zich, hetzij aan een stede ijk, hetzij aan een gemeente-bestuur mocht hebben geadresseerd, ter verkrijging van vergunning tot oprichting eener lagere school en dat verzoek uiet mocht zijn ingewilligd, de adressant zich kunnen wenden tot de Gedeputeerde Staten der provincie, welke alsdan, ua het betiokken Bestuur te hebben gehoord naar bevind van zaken de weigering zullen kunnen handhaven of wel de oprichting der school

Sluiten