Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zullen kunnen inwilligen." (art. 6). De Gedeputeerde Staten bleken immers even vijandig tegenover het Chr. onderwijs te staan als de

gemeentelijke besturen.

Het Kon. Besluit van 18-12 schreef verder voor: »bij de vervulling der vacatures moet de godsdienstige verhouding der ingezetenen zooveel mogelijk in acht genomen worden en op de godsdienstige gezindte der candidaten moet worden acht geslagen. Het leidde den onderwijzers de verplichting op, aan de geestelijken hunner woonplaats op aanvrage van dezen opgave te doen van alle boeken, gezangen en geschriften, waarvan ze in hunne scholen gebruik maakten, opdat die geestelijken daarvan zouden kunnen afkeuren, wat hun voor de kinderen hunner kerk gevaarlijk scheen. Negatief kon men dus nog wel voor de godsdienstige belangen opkomen, maar positief niet. Er was wel af te keuren, maar niet goed te keuren. Al liet leerstellige moest tijdeus de schooluren buiten de school gebannen blijven en aan de bezwaren, die daartegen waren en werden ingebracht, poogde het Besluit wel te gemoet te komen, door te bepalen, dat de schoollokalen buiten de schooluren voor het geven van godsdienstig onderwijs beschikbaar moesten wezen, maar wordt het eten smakelijk, als ons na het nuttigen er van het zout wordt verstrekt? Bovendien stelde het Besluit vast, dat bij de voordracht van nieuwe schoolopzieners elke godsdienstige gezindte naar evenredigheid in de schoolcommissiën zou worden vertegenwoordigd, en men de Commissiën van onderwijs, waar het noodig bevonden werd, daartoe met honoraire leden zou aanvullen. In alle gemeenten moesten plaatlijke commissiën van onderwijs ingesteld worden. I)e \ergelijkende examens moesten behouden blijven, maar bij nagenoeg gelijke bekwaamheden moest de keuze van den onderwijzer naar het meerendeel der godsdienstige gezindheid van de bevolking geschieden. De algemeeue en de speciale admissie bleven gehandhaafd. Alleen werd, gelijk wij boven zagen, toegelaten het beroep op de Gedeputeerde Staten, ingeval de speciale admissie voor de oprichting eener bijzondere school door de plaatselijke besturen was geweigerd. Het Kon. Besluit werd begeleid door eene circulaire van den Minister, waarin gezegd werd, dat het onderwijs »zou een belang blijven van louter burgerlijk maatschappelijken aard, buiten invloed van het leerstellige van eenig kerkgenootschap, en waarbij alle uitsluitende of eenzijdige richting moet vermeden worden, zoodat de met hetzelve in \ erband

Sluiten