Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der besturen meer weigerachtigheid geweest, dan sedert liet Besluit van 2 Jan. 1842, waarbij tegemoetkoming bedoeld was." En wat na 1842 jaar op jaar in tegenspraak met den vorstelijken wil en ter bespotting van het koninklijk gezag was geschied, dat had na 1848 plaats in strijd met de herziene grondwet. Ook na de grondwetsherziening bleef b.v. de gemeenteraad te 's Hage weigerachtig, autorisatie te verleenen voor de oprichting van een Christelijke school der le klasse, die men aldaar wenschte. Was het wonder, dat zij, die om des gewetens wil vrijheid van onderwijs begeerden, er op aandrongen, dat deze onmiddellijk na de afkondiging van de herziene grondwet in werking zou treden? ])e Minister van Justitie had verklaard, dat, zoolang de nieuwe schoolwet niet zou zijn ingevoerd, de wet van 1806 niet mocht worden ter zijde gesteld. Doch hoelang zou men nog op die nieuwe wet moeten wachten en dus verstoken moeten blijven van hetgeen rechtens was toegekend ? Een goed werk deed daarom de heer Gr. v. Prinsterer, toen hij in de zitting der Tweede Kamer van 22 Febr. 184!) een amendement betrekkelijk het lager onderwijs voorstelde op het adres van antwoord op de Troonrede van den volgenden inhoud :

»ln afwachting der algemeene regeling van het lager onderwijs, waartoe, uit den aard der zaak, bedaard overleg en rijp beraad vereischt wordt, zouden wij, gedachtig ook aan Uwer Majesteits begeerte, reeds bij den aanvang van Hare regeering geopenbaard, wenschelijk achten, dat aan billijke bezwaren, door handhaving of, voor zoover noodig en doenlijk, door onverwijlde wijziging der bestaande verordeningen, mocht worden een einde gemaakt."

Dit amendement werd aangenomen en 't scheen, of de regeering nu bereid was onverwijld toe te passen de vrijheden en rechten, welke de grondwet aan het Xederlandsche volk waarborgde. Hierover waren de tegenstanders der Christelijke school bezorgd. Zij waarschuwden, »dat een groot gevaar ons schoolwezen bedreigde." Toch mocht hun tegenstand niet baten. Ten minste, den 2 Dec. 1849 maakte de ^Minister van Binnenlandsche Zaken bij circulaire aan de Gedeputeerde Staten der verschillende provinciën bekend: 11 (lat het den minister zeer aangenaam zou zijn, indien de plaatselijke en provinciale besturen bij de beoordeeling van aanzoeken tot oprichting van scholen, vooral in den geest der tegenwoordige grondwet, de meestmogelijke vrijgevigheid willen in acht nemen," terwijl tevens Gedep. Staten

Sluiten