Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ironie, van urbane scherts, poëtischen gloed en helderen redeneertrant," dat in het begin van 1852 verscheen, het Christelijk onderwijs nog beter te verdedigen. Tegenover het beweren der voorstanders van de Staatsschool, dat ook aldaar van «God en het eeuwige leven," mag worden melding gemaakt; tegenover dit loochenen of ontveineen van hetgeen de consequentie van het stelsel voorschrijft, sprak Beets het in zijn verweerschrift uit: «Misschien had ik kunnen zwijgen, dat het, naar de consequentie van het stelsel, zoo ver zou kunnen komen, dat de onderwijzer de kinderen zelfs niet bij het bestaan van God zoude mogen bepalen; doch, zoo dit wat te sterk was, niet de dichterlijke fantasie, maar de onverbiddelijke logica had schuld."

De Nederlander, het orgaan van Groen, drong aan op het verkrijgen van scholen, voor gezindheden bruikbaar, en streefde dus naar de facultatief gesplitste staatsschool. Groen werd in dit zijn pogen in hetzelfde blad ijverig bijgestaan door zijn bekwamen medewerker en vriend Wormser, die beweerde: «De vrijheid van godsdienst, de bescherming van elk kerkgenootschap in dit rijk, en de eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen, toegepast op de opvoeding en het onderwijs der jeugd en de openbare school, leiden dus noodwendig tot de daarstelling van Overheidswege van gezindheidsscholen." Hij schreef: »De geheele natie, Joden en Christenen, Roomschen en Protestanten , heeft behoefte aan openbare gezindheidsscholen. Door geen ander middel kan aan de voorschriften der grondwet worden voldaan. Dus in den regel gezindheidsscholen en daar, waar zich van eenige gezindheid te weinig leden bevinden, om zelve eene gezindheidsschool te hebben, mogen wij vertrouwen, dat een verstandig en voorzichtig schoolbestuur kans zal zien, met eenige verschikkingen, die zaak tot wederzijdscli genoegen te schikken. Maar in geen geval mag door de Protestanten de kerkhervorming, of door de Christenen in het algemeen het Christendom op de publieke school, ware het ook zelfs ter naleving eener grondwet, worden opgeofferd." Ook Dr. J. J. van Toorenenbergen liet zich meermalen in dien zin uit. Zoo schreef hij b. v. in N". 502 van de Nederlander, 26 Febr. '51, dat eene goede wet op het onderwijs de volgende artikelen moet bevatten:

«Het onderwijs wordt in overeenstemming met de godsdienstige begrippen der natie gegeven.

Sluiten