Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schen Christen zal worden geduld." — En niet te vergeefs had Groen op den Koning gerekend. Nog voor de verkiezingen had Z. M., getrotten door de gemoedsbezwaren van velen zijner onderdanen, bij herhaling te kennen gegeven, dat hij, al werd de wet aangenomen, zwarigheid zou moeten maken, haar te bekrachtigen. Intusschen vroeg minister Van Hall zijn ontslag, terwijl Yan Reenen meende, aan geen enkel bezwaar der petitionnarissen te kunnen tegemoet komen, 't Gevolg hiervan was, dat het ministerie weinige dagen na afloop der verkiezingen zijn ontslag nam. Hiermee was het ontwerp ingetrokken.

Tijdens de aftreding van het ministerie-Van Hall had de Koning, die instemde met de hoofdgedachte van het petitionnement, i-aad aan Groen gevraagd. Getrouw aan de traditie van zijn huis, kon Z. M. de ontkerstening van zijn volk niet gedoogen. De samenstelling van een nieuw ministerie droeg de Koning op aan V. d. Brugghen. Vóór deze die opdracht aanvaardde, wilde hij zekerheid hebben, of de heer Groen hem zou steunen. Beiden hadden daarom eerst een onderhoud op Groens landgoed Oud-Wassenaar, nabij Leiden. Ze scheidden, V. d. Brugghen meenende, dat hij op Groens medewerking kon rekenen, en Groen overtuigd, dat V. d. Brugghen in den schoolstrijd in hoofdzaak op zijn standpunt stond. Beiden hadden zich evenwel in elkander vergist, zooals later maar al te duidelijk zou worden.

Zooals wij zagen, zond Heldring in 1856 een adres aan de Tweede Kamer tegen het gewijzigde wetsontwerp Van Reenen. V. d. Brugghen had het niet geteekend, maar wel een ander, door Ds. Stoop opgesteld. Bij deze gelegenheid zei V. d. Brugghen: »Ik verzeker 11, mijne vrienden, indien de Koning mij riep (en daaraan dacht toen nog niemand) een schoolwet te geven voor ons land, ik verzeker u, ik zou geen andere wet kunnen geven; maar om u te bewijzen, dat ik zulk eene school niet voor mijne kinderen begeer, geef mij de petitie, ik wil haar teekenen." (Zie blz. 155 van Mr. J. J. L. v. d. Krugghen lierdarht door Dr. A. H. Raabe). Uit deze woorden kan men opmaken, wat van V. d. Brugghen te wachten was, nu hij zelfwas geroepen, een wet op het lager onderwijs te maken. Zijn beginsel van scheiding van Kerk en Staat dwong hem, zooals hij dan ook later erkende, de natie met eene school te zegenen, die hij voor zijne eigene kinderen niet begeerde.

V. d. Brugghen nam 's Konings opdracht aan en kreeg een mi nis-

Sluiten