Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

terie bijeen. Hij zelf trad op als minister van Justitie en Dr. Simons als minister van Binnenlandsche Zaken. Deze laatste, een der hoofdleiders der April-beweging, had zich doen kennen als een vijand van de gemengde school. Aan het petitionnement tegen het ontwerp-van Reenen was door hem dan ook ijverig deelgenomen.

»Het heeft Z. M. goedgedachtaldus verklaarde Van der Brugghen, »mij den last op te dragen, om een nieuw ministerie te vormen , dat gezind zou zijn, om het denkbeeld van Z. M., ware het mogelijk, te verwezenlijken, om namelijk tegemoet te komen aan de bezwaren van velen; dat althans genegen zou zijn, om middelen te

zoeken, ten einde aan het verlangen van Z. M. te voldoen

Men ziet, dat de reden van aftreding van het eene en de vorming van het andere Kabinet geheel gelegen is in de kwestie van het onderwijs en in den wensch, door Z. M. te kennen gegeven, om nog te beproeven, aan de gemoedsbezwaren van velen tegemoet te komen."

Een ministerie was het dus, dat tot taak had, tegemoet te komen aan de bezwaren der petitionnarissen, die zich vóór eene afzonderlijke school voor Protestanten, R.-Katholieken en Israëlieten hadden verklaard en tegen de godsdienstlooze of Deïstische school, zooals de gemengde school noodzakelijk moest wezen. Men zou dus verwacht hebben, dat het Kabinet niets minder wenschte, dan de gemengde school. V. d. Brugghen zelf had als lid der Kamer den 1 Dee. 1853 van den overgang der gemengde school tot de afzonderlijke als van het eenige redmiddel melding gemaakt. Ja de ongerijmdheid van eene Christelijk-gemengde school had hij ook den 1G Juli 1854 klaar en helder aangetoond.

»Wat kon men dus tegemoet zien?" vraagt Groen in zijne Adviezen (blz. 166, Dl. II) en hij antwoordt: «Vermoedelijk zal het ministerie met veel behoedzaamheid te werk gaan; de gemengde school niet afschaffen, de splitsing niet ten regel stellen; wellicht streven naar de verwezenlijking van het denkbeeld, ten zelfden dage door denzelfden spreker (n.1. V. d. Brugghen) als eene nalatenschap, zeide bij, in de Kamer neergelegd: «Men zou ook daar, waar minderheden zijn, die gemengde scholen wenschen te verlaten, die minderheden , als eigen krachten te kort schieten, kunnen ondersteunen, te hulp komen en daarbij in aanmerking moeten nemen, of de behoefte aau bijzondere scholen werkelijk in gewetensbezwaar,

Sluiten