is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderwerp voor regeling vatbaar is." Deze twee hoofdstellingen, zeide hij, azijn mijn richtsnoer, mijne leid- en poolster bij mijne geheele gedragslijn omtrent deze zaak." Ook beweerde hij, dat het niet dezelfde wet was, als waartegen het Kabinet was opgetreden. Hierop antwoordde echter Groen: sDe minister zegt, het is niet dezelfde wet; het is dezelfde wet met twee bijvoegsels. Ik zeg dit ook. Het is dezelfde wet, in het hoofdgedachte aan de vorige gelijk; het is dezelfde wet, gewijzigd naar de voorschriften der Tweede Kamer, vervat in het voorloopig verslag van 1856; het is dezelfde wet, enkel voor de lens met het woord Christelijk versierd; het is dezelfde wet, met eene voorspiegeling van subsidiën aan bijzondere scholen, die noch aangenomen zal worden, noch, zoo zij aangenomen werd, ten uitvoer kan worden gelegd. De kracht der twee bijvoegsels zal later worden gewaardeerd; doch wanneer ze wegvallen, is het, ook naar het oordeel van den minister, dezelfde wet." (Adviezen. II. Blz. 234 en 2:J5).

Op 4 Juli 1857 was men met de beraadslaging gekomen tot art. KI, het hoofdbeginsel der voorgestelde wet, ^toegankelijkheid deischolen voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid". Elout van Soeterwoude stelde hierop een amendement voor, behelzende, dat er mogelijkheid zou blijven bestaan voor het oprichten van afzonderlijke scholen voor Israëlieten. V. d. Brugghen zei omtrent dit amendement: »De Israëlieten, naar mijn gevoelen en naar mijne overtuiging, hebben recht om te komen op de gemengde openbare school en hun mag die gemengde openbare school niet worden ontzegd." De heer Van Lynden erkende, dat volgens de grondwet de Israëlieten gelijke rechten met de andere gezindheden hadden, maar, voegde hij er terecht bij: »Waar het blijkt, dat de uitoefening van die rechten in botsing komt met die van anderen, daar is het staatkundig, een uitweg te zoeken." Hij vreesde, «dat de regeering zal blijven volharden bij haar waterig schijn-christendom, dat den Jood niet ergert, dat voor den Christen niet is hetgeen hij noodig heeft, maar hetgeen de regeering meent, door de grondwet gebonden, hem alleen te kennen geven." Het einde der zaak was echter, dat het amendement van Elout van Soeterwoude met groote meerderheid werd verworpen.

Art. 3 der wet veroorloofde het subsidiëeren van bijzondere scholen door gemeente of provincie; de aldus gesubsidiëerde scholen moesten