Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter toegankelijk zijn voor alle kinderen, zonder onderscheid van godsdienstige gezindheid. De heer Baud merkte in de zitting van li> Juli op, dat deze beperkende bepaling eene «vernietigende voorwaarde was." Volgens hem scheen art. 3 te zeggen: »lk zal u, bijzondere school ondersteunen, mits gij ophoudt, bijzondere school te zijn. Het is even alsof men tegen een hulpbehoevenden dienaar zegt: ik zal u pensioen verleeuen, mits gij sterft." 't Geheele art. 3 werd evenwel aangenomen en hiermee en met de aanneming van het gewijzigde art. 23 was de hoofdkwestie beslist.

Op 20 Juli werd de wet aangenomen met 47 tegen 13 stemmen. Terstond verliet Groen de zaal, met achterlating van den volgenden brief aan den voorzitter: »N-u de beraadslaging over de wet op het lager onderwijs is afgeloopen, neem ik, met smart, doch uit persoonlijk plichtsbesef en na rijp beraad, mijn ontslag als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

»<!elief, Mijnheer de Voorzitter! met de uitdrukking mijner hoogachting, te ontvangen en ook aan de Kamer over te brengen, mijn dank voor de welwillendheid, die mij, bij menig verschil in zienswijze, van de meeste leden ten deel viel." — De reden van Groens ontslag werd nader ontwikkeld in zijn Open brief aan het bestuur der kies verten iging Nederland en Oranje te Leiden, waarin hij o. a. zeide: »Het ontslag is . . . een kreet der smarte, wegens de ramp, door toegeeflijkheid aan wanbegrippen over 't vaderland gebracht; een protest tegen beginselen van wetgeving en bestuur, waarbij noch op volksgeloof, noch op den eenigen grondslag van ware volksverlichting, noch op do voorwaarde van volkszegen mag worden gelet."

Ook de Eerste Kaïner keurde de wet goed en wel met algemeene stemmen, op één na. De heer Van Oudermeulen stemde er tegen, omdat het verwijderen van allen positieven godsdienst van de staatsschool geen andere dan droevige gevolgen na zich kon sleepen.

Door de natie weer de gemengde school te geven, had V. d. Brugghen een treurige taak vervuld. Zich afscheidende van zijne antirevolutionnaire vrienden en toegevende aan zijn persoonlijk gevoelen omtrent de verhouding van Kerk en Staat, had hij plaats genomen tegenover Groen, zich aangesloten bij de Groote Protestantsche partij en had hij eene schoolwet gemaakt, zooals Thorbecke die verlangde, doch niet, toen deze minister was, had tot stand kunnen brengen. Len treurige waarheid was het, dat Thorbecke door V. d. Brugghen

Sluiten