Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Itad getriumfeerd. (leen wonder aldus, dat men sprak van het »onbegrijpelijk ministerie."

ZESDE TIJDPERK (1857-1876.)

HOOFDSTUK XXXI.

De wet van Van der Brugghen.

Van der Brugghen had gehoopt en gemeend, eene bevredigende •oplossing der hangende quaestie te kunnen vinden. De wet echter, die hij had ingediend en thans aangenomen zag, na eerst in de Kamer, overeenkomstig den wensch van Thorbecke en diens partij, te zijn besnoeid, berokkende aan de vrienden van het Christelijk ouderwijs en niet het ininst aan Groen, eene bittere en grievende teleurstelling. V. d. Brugghen had het onmogelijke beproefd en had uiet ingezien, dat hij, toen dit duidelijk werd, niet had moeteu voortgaan op den ingeslagen weg. Te vergeefs hadden Groen en iliens vrienden, Mackay, Elout van Soeterwoude, \ an Lyuden en \ au Reede van Oudshoorn, alles in het werk gesteld, om hem zijne dwaling te doen inzien. Met verontwaardiging en smart zagen ze het aan. hoe een vriend en broeder in Christus thans het werktuig was geworden, om door middel der school de natie meer \ an C In istus af te voeren. Toch bleven ze de eerlijkheid en goede trouw vau V. d. Brugghen erkennen, zooals die dan ook nu nog door niemand

worden betwijfeld.

Art. 23 der wet van 1857 luidde: »Hot schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de verstandelijke vermogens dei kinderen en aan hunne opleiding tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden.

»De onderwijzer onthoudt zich vau iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden.

»Het geven van onderwijs iu den godsdienst wordt overgelaten

Sluiten