Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

]ijke opvoeding en onderwijzing harer toekomstige leden, »want", schreef hij, van de sopenbare school was in dezen geen heil te wachten, daar zij alle historisch en dogmatisch Christendom van hare bemoeiingen moest uitsluiten." Verder zei hij in deze brochure, dat het niet het werk van den Staat kan zijn godsdienstig onderwijs te geven, maar dat het 't werk der Kerk en der ouders is, te zorgen, dsit het gegeven worde; dat de Kerk daarvoor de aangewezen \ ereeniging is en dat er voor deze geene geldelijke, noch andere bezwaren aan verbonden zijn. Hij wees verder onderscheidene wegen aan, waarop men op zeer gemakkelijke wijze dat werk zou kunnen verrichten en bezwoer a. h. w. de geadresseerden, in dezen hunnen plicht niet langer te verwaarloozen. Ontegenzeggelijk zou het goed «reweest zijn, wanneer zijne woorden meer ingaug hadden gevonden, vooral, waar men niet bij machte was, eene Chr, school op te richten. Evenwel had liet openbaar onderwijs daardoor zijn, het Christendom ondermijnend, karakter niet verloren.

De wet van 1857 gaf alles, wat die van 1854 goeds beloofde, en tevens, wat haar verwerpelijk maakte. Het eenige, dat men verkreeg, was vrijheid om bijzondere scholen op te richten. Hierin zou men njet langer geplaagd worden door de willekeur der plaatselijke en provinciale autoriteiten. Zij echter, die hunne kinderen onderwijs lieten genieten op de bijzondere scholen, moesten evengoed de kosten voor alle staatsscholen helpen dragen, terwijl voor het Christelijk onderwijs geen penning werd toegestaan. Van der Brugghens verzoeningsmiddel immers: Rijkssubsidie voor de bijzondere scholen telkens bij de wet, was met al;/emeene stemmen gevallen.

De Nederlandsche staatsschool was geworden eene school zonder Bijbel, zonder Christelijke opvoeding en met een onderwijs in de viiderlandsche geschiedenis, waaraan Rome zich niet ergeren mocht. Een uur onderwijs in diezelfde lokalen buiten den schooltijd zou het eenige zijn, dat geoorloofd was, om al dat kwaad onschadelijk te maken. Toch bevatte de wet van 1857 zeer vele goede bepalingen, 't Onderwijzend personeel werd verdeeld in hoofd- en hulponderwijzers. Voor beide klassen werd een minimum-traktement vastgesteld, zoodat zij beter bezoldigd werden. Daardoor nam het aantal onderwijzers toe en dit had natuurlijk de verbetering van het onderwijs ten gevolge. Het schooltoezicht werd beter georganiseerd en met de examens maakte men tneer ernst. Provinciale inspecteurs, districtsschool-

Sluiten