Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

school, die alle betrekkingen met de Kerk had verbroken, behoorde niet met kerkelijk geld gesteund te worden, inaar moest betaald worden uit de kassen der gemeente.

Dat alle verband tusschen Kerk en Staatsschool verbroken was, bleek vooral te Loosduinen. De onderwijzer aan de openbare school J. W. Van Eek aldaar ontving een verzoek van den kerkeraad der Ned. Herv. gemeente, om in het schoollokaal tweemaal 's weeks gedurende het geheele jaar aan de schoolgaande Protestautsche kinderen onderwijs te geven in de Bijbelsche geschiedenis en het koraalgezang. De kerkeraad gaf van dit gedaan verzoek officieel kennis aan het gemeentebestuur. Dit bestuur wees den hoofdonderwijzer op art. 24 der wet op het lager onderwijs, luidende: »De hoofd- en hulponderwijzers bekleeden geene ambten of bedieningen, dan met goedkeuring van Gedeputeerde Staten Zij drijven geen handel, doen geen nering.

noch oefenen eenig beroep uit."

De hoofdonderwijzer adresseerde zich daarop aan Gedeputeerde Staten, die vervolgens het gevoelen van burgemeester en wethouders inwonnen. Het dagelijksch bestuur meende het toestaan van het verzoek te moeten ontraden, omdat het vreesde, »dat ook hierdoor aan de ouders van andere godsdienstige gezindten, wier kinderen de openbare school bezoeken, zou worden aanstoot gegeven.' Ook de schoolopziener dacht, dat het niet geraden was, de gevraagde vergunning te geven, en wel omdat, «lettende op de individualiteit van den crenoemden hoofdonderwijzer, deze dan aan zijn onderwijs op de openbare school zoo licht eene richting zou kunnen geven, die in strijd zou zijn met de bedoeling der wet." De schoolopziener was dus bevreesd , dat de hoofdonderwijzer, door het geven van privaatonderwijs m Bijbelsche en vaderlandsche geschiedenis, in de openbare school teruggekeerd, te zeer nog onder den invloed van die Christelijke atmosfeer zou worden bevonden. De Inspecteur H. ,T. V. d. Heim meende echter, dat het geven van zulk onderwijs niet als eene bediening kan worden beschouwd. De Gedeputeerde Staten vereenigden zich met dit laatste gevoelen en schreven daarom aan het gemeentebestuur, dat hunne goedkeuring niet werd vereischt. Burgemeester en wethouders w.lden echter een beslissend antwoord hebben en gingen in hooger beroep. De Raad van State werd gehoord en eindelijk bij Kon. Besluit aan den onderwijzer te Loosduinen, de gevraagde vergunning geweigerd als zijnde in strijd met de wet.

Sluiten