Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijven over de school zonder die te kennen of te begrijpen, dat de openbare school eene volksschool is, dat is ten behoeve van alle burgers van den Staat, opdat hunne kinderen aldaar onderwijs genieten in de leervakken, door de wet als noodzakelijk voor de maatschappij aangenomen. I)e tijden zijn voorbij ... de leerlingen voor waar te verkondigen, dat hemel en aarde in zes dagen zijn geschapen, het water der Roode Zee op een wenk verdween, de kracht van Simson in de haren zat en Joua een zeetocht in den buik van een visch deed; de vooruitgang der natuurwetenschappen bewijst ons, dat millioenen jaren voor de vorming van dien aardbol benoodigd zijn geweest. Geen (lésorde (dergelijke wonderen), maar de groote orde in alles, en welke voor ons openligt, is bewonderenswaardig, onder het bereik van den onderwijzer der jeugd, den kinderen te verklaren."

Ook Mr. A. F. Sifflc, lid der plaatselijke schoolcommissie te Middelburg, liet zich in de Dageraad in gelijken zin over de feiten uit, in de H. Schrift vermeld. En dergelijke mannen werden op hun plaats gelaten, terwijl prof. Hofstede de Groot, die meende, dat in de openbare school toch nog iets Christelijks moest onderwezen worden, werd ontslagen. Meer dan iets anders bracht dit de ware strekking der wet van 1857 tot openbaarheid.

Het vooruitzicht, dat zijn wetsvoorstel op de rechterlijke organisatie niet zou worden aangenomen, gevoegd bij het aftreden van minister Vrolijk, bewoog Y. d. Brugghen in Maart 1858 zijn ontslag te vragen. Zijn ministerieel leven had zich uitgestrekt van 1 Juli '56 tot 18 Maart '58. Een ander ministerie trad op, waarin de heer Tets van Goudriaan de portefeuille van Binnenlaudsche Zaken aanvaardde.

Na de aanneming van de wet van '57 hadden de Staten-Generaal het lager onderwijs wel niet uit het oog verloren, maar tot ernstige behandeling van die gewichtige aangelegenheid kwam het in de eerste jaren niet. Anders echter zou het worden in 1862. In dat jaar toch werd Groen te Arnhem tot lid der Tweede Kamer verkozen. Hij aanvaardde het hem opgedragen mandaat en nam weder zitting. Om de aanneming van de wet had hij ons Parlement verlaten, om hare eerlijke uitvoering te verkrijgen, vatte hij de taak weder op. Met dat doel voor oogen verliet hij het stille studeervertrek, om zich weder te wagen in den parlementairen kamp. Hij schreef : »Voor mij althans

Sluiten