Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der directe belastingen te Nijmegen (gest. 1851), en van Maria Elizabeth Gertruida de Beijer (gest. 1845) en werd geboren den (i Aug„ 1804. Zijn geslacht was van Duitscben oorsprong en mocht op den titel van baron aanspraak maken. Van zijne zes zusters overleden er twee ongehuwd. Als knaap bezocht hij de Latijnschu school te Nijmegen, waar hij onder leiding van Dr. Enklaar vooral veel kennis van oude talen opdeed. Aan de Leidsche hoogeschool studeerde hij in de rechten. Aldaar maakte hij ook kennis met Groen v. Prinsterer, zijn lateren vriend en ook zijn tegenstander. »Met welk een gloed en vuur heb ik den oud-minister V. d. Brugghen hooren spreken over de te Leiden gehouden dispuut-colleges, en hem het prachtig vloeiend Latijn van Groen hooren roemen, als nog voortreffelijker dan dat van den om zijn Latinas in Europa bekenden professor Bake," schrijft I)r. A. H. Raabe op blz. 17 van zijn: Mr. J. J. L. v. i/. Brugghen herdacht. Deze kennismaking was evenwel niet van intiemen aard, daar Groen niet alleen drie jaren ouder dan V. d. Brugghen was, maar ook zeer jong student was geworden. In 1826 werd Y. d. Brugghen's beantwoording der prijsvraag: »Eene uiteenzetting van hetgeen de geschriften van Plinius den Jongeren opleveren voor de kennis van het Burgerlijk recht" met goud bekroond. Den 15 Juni van datzelfde jaar promoveerde hij in de rechten, na zijn proefschrift over een Titel der Pandecten (de statuliberis, over de voorwaardelijk vrijen) met succes verdedigd te hebben. Hij vestigde zich als advocaat in zijn geliefde vaderstad, waar hij zijn vrijen tijd besteedde aan allerlei studiën, aan muzikale uitvoeringen met verschillende leden zijner familie, enz. Tijdens den opstand der Belgen werd ook de schutterij mobiel verklaard en V. d. Brugghen, officier bij de Xijmeegsche schutterij, trok met de »Nijmeegsche jongens" naar de Noordbrabantsche heidevelden. In 1851 schreef hij nog daarover: »Ik reken het mij tot eene eer, en het behoort tevens tot de aangenaamste herinneringen mijns levens, dat ik vier jaren lang tot den achtenswaardigen krijgsmansstand heb behoord." In zijn vierjarige krijgsmansloopbaan vergat hij de lectuur der classieken evenmin als de beoefening der muziek. In zijn studeervertrek had hij later niet alleen zijne wapenen hangen, getrokken gelukkig alleen om te comraandeeren, maar kon men ook de bijzonder kleine piano zien staan, die hij te velde bij zich had. De correspondentie, die hij met zijne betrekkingen in Nijmegen onderhield, geschiedde dooreen klein persje

Sluiten