Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wordt zeker eens, in later jaren,

Een wijs, een braaf, een nuttig mensch.

Gerust kan zulk een kind zijn oogen Op God en zijne oud'ren slaan;

Te laat berouw zal 't nooit doen weenen,

Als 't later bij hun graf zal staan."

In 1808 schreef de heer Jansen nog: Opwekking aan alle openbare onderwijzers in Nederland voor de verkiezing van leden van de Tweede Kamer op 22 Jan. 1808. Ijverig voorstander van het neutrale onderwijs als hij was, bestreed hij het bijzonder onderwijs ook door als spreker op te treden. Toen den 12 Sept. 1800 Ds. Ploos v. Amstel te Wirdum, waar het plan was gevormd, eene Chr. school op te richten, eene rede had gehouden ten gunste van het bijzonder onderwijs, trad de heer Jansen er twee dagen later ook op, om van betere dingen te getuigen. En zoo deed hij op meer plaatsen.

De Tweede Kamer vernam met «ontroering" den 28 Sept. '04, dat de heer Groen bedacht was op indiening van een voorstel ter wijziging van art. 194 der Grondwet. Den 8 en 9 Dec. kwam bij de behandeling der begrooting voor Binnenlandsche Zaken het lager onderwijs aan de orde. Groen was door een ernstige ongesteldheid verhinderd tegenwoordig te zijn. De Wekker schreef: »De discussie verloor zoo het piquante, dat de vertegenwoordiger voor Arnhem door zijne uitstekende geestesgaven er aan weet te geven." Ook het driemanschap Van Zuylen—De Brauw—Myer bleek geen hart te hebben voor de door Groen gewenschte herziening. Het lezen en herlezen van het Bijblad van 8 en 9 Dec. bracht den volhardenden strijder tot de overtuiging, dat zijn pogen een vruchteloos werk was. Hierdoor gevoelde hij zich diep teleurgesteld, zoodat hij zich verplicht achtte de Kamer, bij wier meerderheid hij sympathie noch rechtsgevoel, bij wier minderheid hij ondersteuning noch medewerking vond, te verlaten, en het mandaat neer te leggen, hem door de kiezers te Arnhem toevertrouwd. In April 1805 nam hij zijn ontslag als lid van ons Parlement. Xiet in de Kamer, maar in het land zon hij, volksvertegenwoordiger zonder mandaat, nu de vraag omtrent eerlijke wetspractijk en de daarmede in verband staande herziening van art. 194 aan de orde stellen. Yan 1802 af had hij zich weder niet. onbetuigd gelaten in het parlementaire slaggewoel.

Sluiten