Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verzonden. Den 19 en 20 Mei daaropvolgende werd dit antwoord op de algem. verg. der Vereen, v. C. X. S. te Utrecht besproken. Dr. A. Kuyper zei: »Gelijk de oprichters der Vereeniging voor Geref. schoolonderwijs den moed hebben gehad, hunne beginselen uit te spreken, zoo moeten wij verklaren, dat wij om dezelfde reden ook geen haarbreed terugtreden." Daarop stelde T. v. d. Weerdt als motie van orde voor: »Dat de door de Hoofdcommissie gerichte brief aan de Vereen, v. Geref. schoolonderwijs het denkbeeld der vergadering heeft uitgedrukt." Deze motie werd door den voorzitter in omvraag gebracht en met algemeene stemmen aangenomen. Ds. M. Noordtzij, als afgevaardigde der Vereen, v. Geref. schoolonderw. ter vergadering aanwezig, verkreeg daarna het woord, doch het mocht hem niet gelukken, de aanwezigen voor zijne Vereeniging gunstiger te stemmen. De voorzitter constateerde alleen, »dat de afgevaardigden der Vereen, v. Geref. schoolonderwijs gelegenheid gehad hebben hun gevoelen te uiten. Met gerustheid liet hij het aan de vergadering over, haar oordeel over de geleverde stukken en de gevoerde discussie te vellen." (Men zie het Verslag der verg. v. C. X. Schoolonderw., den 1!) en 20 Mei te Utrecht gehouden. Blz. 19, 20 en 21).

Van het ministerie Van Zuylen-Myer-Heemskerk (1 Juli 186(5—4 .Juni 18G8) had men aanvankelijk de verwachting, dat het tegemoet zou komen aan de bezwaren van een aanmerkelijk deel der bevolking tegen de onderwijswet. Groen was weer gekozen als lid der Tweede Kamer. En naast hem zou voor 'teerst zitting hebben Mr. L. W. C. Keuchenius, als afgevaardigde voor het hoofdkiesdistrict Arnhem.

Nauwelijks was de Tweede Kamer bijeengekomen, nog in Aug. 1866, of Mr. Keuchenius interpelleerde op 23 Aug. het ministerie over de kwestie, of de ministers van Binnenlandsche Zaken (Heemskerk), Ruitenlandsche Zaken (Van Zuylen) en van Koloniën (Myer) homogeen waren met betrekking tot het onderwijsvraagstuk en het tegemoetkomen aan de bezwaren tegen de onderwijswet. De ministers verklaarden, dat zij de onderwijswet loyaal wilden toepassen, maar nog niet overtuigd waren van de noodzakelijkheid, om haar te herzien. Van Zuylen en Myer noemden zelfs het oogenblik, »om het door velen gewenschte doel te bereiken, ontijdig."

Ook dit Christelijk-Oonservatief ministerie stelde dus de vrienden van het Christelijk onderwijs teleur. Groen, die bij de interpellatieKeuchenius niet tegenwoordig was, schreef eenige dagen later: »Ten-

Sluiten