Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemeiit onder de toenmalige omstandigheden niet wenschelijk was. Daarom werd een motie van orde van den heer Hnsen met 34 tegen 12 stemmen aangenomen, luidende: »De vergadering, gehoord hebbende de gehouden discussiën en de verklaring der Hoofdcommissie, wenscht den loop van het plan van den heer Voorhoeve af te wachten en gaat over tot de orde van den dag."

HOOFDSTUK XL'VI.

Het sAnti-Schoolwetverbond" en Groens houding daaromtrent. — Oprichting van „Barnabas".

De heer J. Voorhoeve H.Cz. te Rotterdam noodigde den 25 Juni 1872 door eene vertrouwelijke circulaire onderscheidene vrienden van het Chr. onderwijs ter bijwoning eener vergadering op 27 Juni te Utrecht uit. Op den bestemden tijd had de samenkomst plaats, waarop het Anti-Schoolwetverbond tot stand kwam. Prof. De (leer werd daarvan voorzitter. De leden er van moesten verklaren, »dat, tot verkrijging van eiken afdoenden waarborg van gewetensvrijheid in zake het onderwijs, onverwijlde wijziging van art. 194 der grondwet noodzakelijk is, waardoor het vrije onderwijs regel en het Staatsonderwijs aanvulling kan worden;

»dat eene nieuwe wet op het lager onderwijs, op dit beginsel gebouwd, die het goede van de thans bestaande wet behoudt en hare gebreken wegneemt, de wet van 13 Aug. 1857 zal moeten vervangen, en

»dat hij met de leden van het Anti-Schoolwetverbond, tot bereiking van dit doel: herziening van art. 194 der grondwet, wenscht samen te werken." De contributie bedroeg 50 cents per jaar. Middelen, door het Verbond aan te wenden, waren: a) Het bewerken der publieke opinie, b) Het petitionnement bij de Overheid, c) Het oefenen van invloed op de verkiezingen. Tot het petitionnement bij de Overheid mocht evenwel niet worden overgegaan dan bij besluit van eene Algemeene Vergadering en in geen geval vóór het aantal leden van het Verbond tienduizend zou bedragen. Een voorstel daartoe mocht niet worden behandeld, tenzij uitgaande van of over-

Sluiten