Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen door het Hoofdbestuur. In de Ned. Geil. van 10 Sept. 1872 schreef Groen: «Het denkbeeld van onzen wakkeren vriend Voorhoeve is mij zeer welkom geweest. Ook is de redactie van de statuten in dier voege veranderd, dat ik tegen het lidmaatschap geen bezwaar heb. Liever had ik gezien, en ik heb dit geenszins verbloemd, dat in art. 1 de aandacht uitsluitend geconcentreerd ware op eene wijziging, waardoor de derde alinea van art. 194 wegvalt Den HO Oct. '72 zou de eerste algem. verg. van het Verbond te Utrecht gehouden worden. De agenda prijkte (om te beginnen) met vijftien vooretellen. Groen ried aan: «Onverbiddelijke handhaving der hoofdgedachte. De vereeniging is opgericht voor eerie bepaalde taak, met welke haar raison-éCêtre vervalt. Bedixcussiëeren van het gelegde fundament mag niet worden vergund. Zoodra desaangaande de minste toegeeflijkheid betoond wordt, is spraakverwarring en eene Poolsche Landdag onontwijkbaar." {Ned. Ged. van 21 Oct. '72). Ook moest tot lidmaatschap worden opgewekt. «Evenwel", zoo schreef hij, «ben ik verplicht, evenzeer door herhaling van hetgeen ik in tijds gezegd heb, te doen uitkomen, dat ik voor de redactie van art. 1 niet aansprakelijk mag worden gesteld. Het voorstel der Hoofdcommissie in 1869 strekte enkel ter wijziging van art. 194 . . . Wegneming der ellendige zinsnee. Dit voorstel der Hoofdcommissie is, in de algem. verg. te Utrecht, vervangen door een aan het bijzonder onderwijs toegekende voorkeur. Stemming was tijdverlies. Wij hebben toen voor eene niet twijfelachtige meerderheid gezwicht. Neerlaag en weerzin heb ik niet ontveinsd. Als lid der vergadering zou ik geen overbodige stemming hebben gevraagd. Evenmin heb ik het blijkbaar triumfeereud amendement, als voorzitter, in stemming gebracht. Meermalen reeds heb ik aan dit feit (omdat mij de waarschuwing niet onbelangrijk voorkwam) herinnerd." (Ned. Ged. van 2 Nov. '72). Groen had gaarne gehad, dat men de woorden: «waardoor het vrije onderwijs regel en het /S&iflrfs-onderwijs aanvulling kan worden." had weggelaten. «Deze bijvoeging," zei hij, «beduidt öf niets óf te veel. Bovendien geeft ze aanleiding tot misverstand." (Ned. Ged. van 21 Sept. '72). De derde alinea van art. 194 der grondwet, de «ellendige zinsnee", (»Er wordt overal in het rijk van overheidswege voldoend openbaar onderwijs gegeven") had hij bestreden, reeds eer ze tot stand kwam. Ze was in dat art. gekomen, op aandrang ook van het Hoofdbestuur der Maatsch. tot Nut. v. 't

Sluiten