Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keling" noemde. In 1802 schreef hij daarom zijn Ter nagedachtenis van Stahl, waarin hij o. a. tevens het oordeel bestreed, dat Mr. IJ. D. H. ïeliegen over Stahl had gemeend te moeten vellen.

Vóór 1857 drong Groen op grond van het Christelijk karakter van ons staatsrecht, van het geloof der natie, van onze kerkelijke eigenaardigheden, enz. bij den Staat er op aan, dat deze op het gebied der school rekening honden zou met het Christelijk geloof. Door de aanneming der wet van 1857 bleek het hem, dat de Staat zich losgemaakt had van Christendom en Kerk, ja, dat het beginsel der neutraliteit, in de schoolwet gehuldigd, al spoedig in vijandschap zou overslaan. Daarom oordeelde hij na 1857, dat de Staat, in het l>elang der Kerk, zich feitelijk ook van alle betrekkingen met de Kerk moest ontdoen. In 1862 keerde Groen in de Tweede Kamer terug en kwam al spoedig voor den dag met zijn gewijzigd programma. Ten opzichte der school was het zijn leuze geworden: eerlijke toepassing van een slechte wet. Hij aanvaardde de godsdienstloosheid van den Staat »als een noodzakelijk kwaad" en »uit vrees voor erger." In 1863 gaf hij in zijn Vrijheid van Christelijk-Nationaal onderu-y» in verband met scheiding van Kerk en Staat zijne parlementaire Adviezen in het licht. Hoewel de Christelijke Staat zijn ideaal bleef, hij zou thans tochten het verlorene te herwinnen door de afgekondigde neutraliteit zelve.

In April 1865 had Groen wederom zijn ontslag genomen als lid van de Tweede Kamer, omdat hij meende buiten het parlement op meer doeltreffende wijs werkzaam te kunnen zijn. Van 23 Oct. tot 15 Nov. 1866 schreef hij nu zijne Parlementaire Studiën en Schetsen, waarin hij de voornaamste politieke kwestiën van dien tijd in ons vaderland behandelde.

Had Groen de Kamer verlaten, Keuchenius zou aldaar zijn parlementaire erfgenaam wezen. En zoo kwam het uit. De motie-Keuchenius had in 1866 den val van het ministerie Van Zuylen-HeemskerkMyer ten gevolge. Mr. Keuchenius werd met smaad overladen, door Groen evenwel met kracht en talent verdedigd.

Toen den 23 Mei 1868 het 200-jarig feest gevierd werd van den slag bij Heiligerlee, meende pastoor J. W. Brouwers in eene rede te Amsterdam, die later werd uitgegeven, de nagedachtenis van Lodewijk van Nassau op een smadelijke wijze te moeten verguizen. Groen oefende in zijn Heiligerlee en de Ultramontaansche critick

Sluiten