is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij gelegenheid der kerkvisitatie opende Dr. K. dadelijk na zijne komst te Utrecht den strijd tegen de organisatie der Hervormde gemeenten. Kort daarna ontstond een tweede geschil. Yoor drie eeuwen hadden onze vaderen gastvrijheid ondervonden in Wezel en ter herinnering daaraan wenschten l)r. Van Toorenenbergen en anderen de Duitsche theologen tot eene samenkomst in 1868 te Zeist uit te noodigen. l)r. Knyper wilde, dat de conferentie een gereformeerd karakter zou dragen. De leiding er van geraakte evenwel in handen der Utrechtsche en Groninger richting. Op de conferentie kwam hij hiertegen op. Dooi- gesis en getrap wilde men hem het voortgaan beletten, en men zei, dat zijn beweren »uit den duivel" was. Gelukkig keerde door bemiddeling van Ds. Fabri en I)r. Kogel de rust op de vergadering weder.

Wat de kerkelijke goederen betreft verdedigde Dr. K. het vrij beheer door de gemeenten en bestreed hij het collegie van toezicht. Hoewel hij oordeelde, dat het stelsel van vertegenwoordiging in de Xed. Herv. Kerk door de werking van art. 23 veel verbeterd was, toch meende hij, dat het niet voldeed. En wat de bestuursinrichting der Kerk betreft, hij wilde voor alles, dat de Kerk van de haar in 1816 opgelegde organisatie zou worden bevrijd.

Tot dusver had Dr. Knyper zich niet op het staatkundig tooneel gewaagd. Te Utrecht echter kwam hij in aanraking met Groen van Prinsterer en van 1869 af tot aan den dood van Groen toe stond hij dezen leider met buitengewone bekwaamheid en veerkracht ter zijde, ook op staatkundig gebied.

In 1870 werd Dr. K. te Amsterdam beroepen. Hij nam den 31 Juli van dat jaar afscheid van zijne Utrechtsche gemeente met eene rede over «conservatisme en orthodoxie," terwijl hij zijne intreê te Amsterdam hield met eene rede over »de Kerk, als organisme en instituut." Hij ontwikkelde hierin een program, waaraan hij later zich getrouw heeft gehouden.

In de Amsterdamsche gemeente kon hij er geen vrede mede vinden, dat het weeshuis en de andere stichtingen zich bevonden in handen van regenten, die de moderne leer waren toegedaan. In die stichtingen moest z. i. slechts geleerd worden, wat de gemeente beleed. Onder leiding van Dr. K. werd er tusschen beide partijen een heftige strijd gevoerd, die daarmede eindigde, dat de moderne besturen der inrichtingen moesten plaats maken voor geloovige, terwijl ook het godsdienstonderwijs er in aan betere handen werd toevertrouwd.