is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedenis der wording en ontwikkeling van het Christelijk lager onderwijs in Nederland

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezen moesten worden, waarin de kinderen godsdienstonderwijs konden ontvangen, waarvoor de schoollokalen, desnoods verlicht en verwarmd, beschikbaar moesten worden gesteld, doch wat hielp dat? Het onderwijs kreeg daardoor zijn opvoedend en karakter vormend •element niet terug. Wat de wet van '57 ten deele slechts vermocht, zon die van 1878 geheel voltooien. De Memorie van Toelichting, bij het, wetsontwerp gevoegd, was een Staatsstuk, waarin ondubbelzinnig afkeer van het Christelijk onderwijs werd uitgesproken en een groot gedeelte van het Ned. volk zeer partijdig en onbillijk werd beoordeeld. In die Memorie zei de minister: «Alleen dat deel der vaderandsche geschiedenis, dat den leerling een bevattelijk overzicht schenkt van de wording ' van den Nederlandschen Staat en hem de groote daden leert kennen van het voorgeslacht, door welks volharding, onder de leiding van Oranje, ons onafhankelijk volksbestaan werd gegrondvest, verdient de breedere ontwikkeling die, als middel ter opwekking van warme vaderlandsliefde, in de volksschool bestanddeel der nationale opvoedin" behoort te zijn." De minister vergat evenwel, dat de »wording" van den Nederlandschen Staat" niet kan worden voorgesteld zonder den gezegenden invloed der Hervorming, of men mishandelt de historie en maakt van haar eene caricatuur. Evenmin kan men «wagen van >)de nrootc daden van het voorgeslacht," zonder te gedenken aan de groote daden van God, in Wien dat voorgeslacht zijne kracht zocht en vond. Deze dingen echter moesten op de openbare school verzwegen worden, om de Roomschen niet te ergeren, zoodat het Protestantsch karakter onzer geschiedenis aan Rome werd ten offer gebracht. Voorts werd in de memorie gezegd : »Men mag verwachten, dat het aan de medewerking, om het in het geheel niet schoolgaan' te constateeren en het vlijtig schoolgaan te bevorderen, ook van den kant der voorstanders van het bijzonder onderwijs niet zat ontbreken."

Toch twijfelde de minister, of laatstgenoemden hieraan wel mee zonden willen werken. Immers, hij liet terstond op de voorgaande woorden volgen: »Het doel, daarmede (de bepalingen der wet) beoogd, zal hoogstwaarschijnlijk verijdeld worden, als daartegen uit naam der gewetensbezwaren verzet gedaan wordt." De minister kon echter "erust zijn. De voorstanders van het bijzonder onderwijs zouden <'aarne medewerken, om het schoolverzuim te bestrijden en het schoolgaan te bevorderen, ook waar, bij gemis van eene Christelijke,

° l1»

G. O.