Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is i>f eene veelde, die alleen de met goederen bedeelden zich voor hun kroost veroorloven kunnen, óf eene aalmoes, aan behoeftige kinderen door anderer milddadigheid verstrektOnthouding der koninklijke bewilliging aan de goedgekeurde wetsvoordraeht, meende Kappeyne, zou aan adressanten luttel baten. »Hun aanval," zoo zei hij, »is eigenlijk gericht tegen de wetten van 1806 en 1857; ja tegen de grondslagen zelve onzer staatsinstellingen, zoodat aan hun eisch niet anders zou kunnen worden voldaan, dan door volkomen omkeering van al hetgeen, waaraan tot nog toe wetgever en regeering hebben vastgehouden . . . Bewogen door de roerselen, die de menigte het krachtigst medesleepen, beangstigd in hun geweten en opgezet door hatelijke tegenstellingen tusschen rijk en arm, werden de petitionnarissen in handen der leiders eener staatkundige partij het voertuig tot het bewerkstelligen eener demonstratie, die, wanneer zij doel trof, de Kroon oogenblikkelijk in hevige botsing zou brengen met de vertegenwoordiging des lands en tegelijk den eersten stap zou doen zetten op den weg, waarop terugtreden oneer, voortgaan het verderf van het vaderland worden zou. Men mag dus vermoeden, dat die leiders zelve, zoo zij als verantwoordelijke bewindslieden werden geraadpleegd, er voor zouden terugdeinzen de weigering der koninklijke bewilliging aan te bevelen, welke zij de vrijmoedigheid gehad hebben van de Kroon in hun Smeekschrift te verzoeken."

Nadat dit Rapport in de Staatscourant was medegedeeld, vatte de heer Elout van Soeterwoude de pen op en schreef een Open brief aan den minister van Binnenlandsche Zaken. Allereerst wees de heer Elout er op, dat alle blijk der koninklijke goedkeuring of instemming met inhoud of strekking van het rapport in de Staatscourant bij de mededeeling afwezig was, en verder richtte hij de volgende woorden tot Kappeyne: »U echter, mijnheer de minister, — wil mij dat woord ten goede houden — U is het niet mogelijk, het petitionnement in zijn vanzelfheid en drang des harten te beoordeelen. Ook niet het aandeel, daaraan genomen door onze geloovige, met Gods Woord gevoede, heldere, kloeke burgerij, welke in alle tijden mannen schonk en diensten bewees, ten nutte van Kerk en Staat . . . Tot die beoordeeling is noodig ernstige godsdienstzin, eigen ervaring van Christus' genade, van de kracht des Bijbels. God schenke ze U." En op het beweren van Kappeyne, dat wanneer de Koning weigerde, de aangenomen wet te onderteekenen, de Kroon oogenblikkelijk in botsing

Sluiten