Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dit petitionnement weergeeft, dan ons dit te dezer plaatse mogelijk was.

Het jaar 1878 bracht gelukkig ook nog iets goeds. De vraag: wat zal er van de onderwijzers onzer scholen worden, wanneer zij, oud en zwak geworden, hun moeilijken arbeid niet meer kunnen verrichten? was reeds lang op de algem. verg. der Vereen, v. Chr. onderw. besproken geworden. Eindelijk namen leden dezer Vereeniging het initiatief en mocht het eindelijk, na een driejarig onderzoek, den 13 Juni 1878 gelukken, de Yereeniging Johannes op te richten, tot steun van bejaarde, zieke of hulpbehoevende Christelijke onderwijzers en onderwijzeressen in Nederland, gevestigd te Utrecht. Men verbond aan haar een Uitkeeringskas, waaruit na volbrachten 65-jarigen leeftijd aan de leden pensioen zou worden verleend en een Ondersteuningskas, waaruit financiëele hulp aan de leden, die voor dien leeftijd ziek of hulpbehoevend werden, verstrekt kon worden. Berustte Barnabas op barmhartigheid, Johannes was als levensverzekering uiteraard meer eene zaak van berekening.

HOOFDSTUK LVIII.

Bezwaren tegen Kappeyne's wet. — Vermeerderde belangstelling.

De schoolkwestie was niet door de wet van 1878 opgelost. Naarmate de wet werd uitgevoerd, werd haar druk des te meer gevoeld. Ze was kostbaar. In art. 4 der wet werd bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan den minister overgelaten, algemeene regelen omtrent den bouw der schoollokalen vast te stellen, alsmede omtrent het aantal leerlingen, dat daarin mocht toegelaten worden, met bepaling in hoever deze regelen voor het bijzonder onderwijs verbindend zouden wezen. Alles werd dus in dezen afhankelijk gemaakt van de subjectieve meening van den minister. Vooral met het oog op art. 5, waarbij het geneeskundig staatstoezicht werd aangewezen, om lokalen, voor de gezondheid schadelijk, af te keuren, kon. art. 4 best gemist worden.

Art. 8 handelt over de kweekelingen. Niet alle werkzaamheid werd

Sluiten