Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringen opgedaan. Doch ooi de zelfstandigheid der anti-rev. partij tegenover de conservatieven te handhaven, brak Groen in 1871 voor goed met alle heel en half conservatieven en steunde alleen voorde Tweede Kamer de candidatuur van Yan Otterloo, Mr. Kecchenius en Dr. A. Kuyper. »Zal men," zoo schrijft Groen in de Ned. Gedachten van 22 Mei 1871, »zal men eerst na 13 Juni (den dag der verkiezingen) begrijpen, wat ik in het wijzen op Kuyper, Keuchenius en Yan Otterloo begeer ? Huldebetoon verlang ik aan mannen, wier onvervaarde karaktervastheid afsteekt tegen de karakterloosheid van onzen leeftijd, die, met voortreffelijke gaven en nog zeldzamer kloekheid, mij hebben ter zijde gestaan. Huldebetoon, niet om hunnentwille, maar om onzentwille; belichaming mijner polemiek tegen den grondtoon der eeuw, sedert ik in 1857 voor de gewetensvrijheid de pen opnam, tot op den huidigen dag. Ook niet om mijzelf, bij de verkiezingen van 1871, vrijspraak of eerekrans, die ik geen van beide behoef, te verwerven, maar als conscientiekreet, als begin van Christel ijle-nut ionalen weerstand tegen eene volksvertegenwoordiging, die dagelijks meer, door op het volk geen acht te geven, voor ontbinding. door de zedelijke volkskracht, rijp wordt.'-'

En op blz. 494 van zijn Pari. St. en Schetsen (11) liet Groen zich in het bijzonder over Yan Otterloo uit: »Één man is er, die in de, zoo wij hopen, gezuiverde en versterkte Tweede Kamer niet mag ontbreken; aan wien wellicht (ons land is een zonderling land) niemand denkt, die. er vooral zelf niet aan denkt, en die desniettemin allereerst in aanmerking had moeten komen bij elk, die doeltreffende behandeling van de onderwijsquaestie in de volksvertegenwoordiging begeert, M. D. Van Otterloo.

»Of hij in de openbare zitting het getal der redenaars vermeerderen zal, dit weet ik niet; dit geloof ik niet; maar daarom zal hij. evenmin als de heer Heemskerk 1!/.., een weinigbeteekeneud lid zijn.

«Dat zijn invloed en overwicht in de Afdeelingen zal worden gevoeld, dat, in al wat de schoolquaestie betreft, de door hem gestelde stukken zullen uitmunten door zeldzame kunde en luciditeit; dat hij, tot onberekenbaar voordeel voor het Christelijk-nationaal onderwijs. aldaar voor onze vrienden een raadsman, een leidsman zijn zal, hiervoor durf ik u borg staan."

En in de Ned. Ged. van 3 Mei 1871 heette het bij Groen: »Laat er ook. in de ondubbelzinnnigheid althans van drie candidaturen.

Sluiten