Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1854 den grond t.e scheuren en schuchter op te komen. I)e zeven toenmalige onderwijzers van de school op den Klokkenberg te Nijmegen richtten een schrijven aan veertig anderen, bij wie zij vermoedden, sympathie te zullen vinden. Helaas! slechts zeven hunner zonden eenig antwoord; maar drie schaarden zich zonder eenig beding aan onze zijde; 33 bewaarden het stilzwijgen." Na de geschiedenis der oprichting van de Chr. Onderwijzers-Yereeniging verhaald te hebben, ging hij voort: »De wensch werd uitgesproken, tot het aanknoopen van betrekkingen met het buitenland. Aanvankelijk werd er aan voldaan. Een correspondentie werd geopend met broeder Van Rijst aan de Kaap; een andere met de reeds genoemde Vereeniging van onderwijzers in de Rijnprovincie; een derde met het Evangelisch Onderwijzersgenootschap te Neusalzwerk. Doch door ons onbekende oorzaken werd zij óf niet beantwoord, óf liep zij in het riet!" — Voorts schetste hij de geschiedenis der oprichting van het Maandschrift voor Christelijke opvoeding en Chr. onderwijs: »Naar aanleiding van een besluit, op onze derde bijeenkomst genomen, had zich eene Commissie gevormd, bestaande uit de H.H. Dr. L. R. Beynen, D. Buddingh, H. J. Lemkes, A. Meyer en M. D. v. Otterloo, om de uitgave van het reeds genoemde Maandschrift voor te bereiden. De Commissie was na veel schrijvens en wrijvens gelukkig geslaagd en voordat nog 6 Juni 1857 aanbrak, had het Maandschrift het licht gezien. De heer H. J. Lemkes nam de redactie op zich; de overige heeren traden als medewerkers op." — Verder bracht hij in herinnering, dat in 1864 eene Statistiek verscheen der Bijzondere Scholen in Nederland en dat in dat jaar met de uitgave van het Correspondentieblad begonnen is. Hij wees er op, dat in 1860 opnieuw de Statuten der Vereeniging werden herzien en dat de Vereeniging in dat jaar, evenmin als in 1856, rechtspersoonlijkheid kon verkrijgen en zeide verder: »1871 bracht ons in het vorstelijk's Hage, toen wij tot 524 leden waren gewassen. Een verzoek van de Vereeniging aan Mr. Gr. Groen v. Prinsterer, om zijn Handboek der Geschiedenis van het Vaderland te voltooien, werd door de afd. 's Hage aan den geliefde bij uitnemendheid overgebracht. Den 7 April 1872 werd uwen Voorzitter een ex. van het Handboek ten geschenke gezonden, vergezeld van een schrijven, waarin Groen verklaarde, dat de wensch der Vereeniging naar de uitgave van het Handboek hem een drijfveer ter bespoediging was geweest."

Sluiten