Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven van den burgemeester van Nieuwveen. welke laatste in zijne kwaliteit waarschuwde tegen mevrouw Sasse, geb. Schoenmakers, die gelden inzamelde voor eene Chr. school te Nieuwveen. — Een overheidspersoon meende dus iemand als onbetrouwbaar te moeten signaleeren, omdat die voor het Chr. onderwijs ijverde. De Vereen, v. C. N. S. bemoeide zich met deze zaak en nadat eene correspondentie met den burgemeester tot niets geleid had, benoemde de Hoofdcommissie twee leden uit haar midden, om op de plaats zelve een nauwkeurig onderzoek in te stellen. Dit onderzoek maakte het der Hoofdcommissie al spoedig duidelijk, dat voor de handeling van den burgemeester niet alleen geen gronden aanwezig waren, maar ook, dat hij gesteund door zijne burgemeesterlijke waardigheid, het wapen der verdachtmaking had gebruikt, om zoodoende te verhinderen, dat te Nieuwveen een Christelijke school mocht verrijzen. De Hoofdcommissie wendde zich nu tot de regeering, die mededeelde, dat de burgemeester van Nieuwveen bij zijn doen geleid werd door de meening, dat collecteeren voor inrichtingen van onderwijs ongeoorloofd was, en dat zij hem op het onjuiste dezer meening had opmerkzaam gemaakt. Evenwel meende de Hoofdcommissie andermaal de regeering met de meeste bescheidenheid te moeten verzoeken : «zoodanige maatregelen te willen nemen, dat niet meer door overheidspersonen het ambtelijk gezag worde aangewend tot zóó onwaardige tegenwerking van het Chr. onderwijs, als dit door den heer burgemeester van Nieuwveen heeft plaats gevonden."

Eindelijk werd in 1881 door minister Six een begin met de uitvoering der nieuwe schoolwet gemaakt en hij deed dit op eene voor het Nederlandsche Christenvolk zeer stuitende wijze. Niet slechts, wat rechtstreeks uit de bepalingen der wet voortvloeide, werd door hem gedaan, maar ook werden door hem, ten bate van de openbare school, maatregelen genomen, waartoe de wet niet verplichtte. Zoo liet hij b.v. aanschrijven, dat onderwijzers, aan de rijkskweekscholen opgeleid, verplicht waren, het eerste jaar na hun examen aan eene openbare school werkzaam te zijn. Hij wist wel, dat, wanneer de jongelieden eerst een jaar bij het openbaar onderwijs werkzaam waren, zij dan niet gemakkelijk zonden besluiten hunne betrekking tegen ëen andere bij het Chr. onderwijs te verruilen, waardoor zij immers met meer arbeids minder zouden verdienen, terwijl ook hunne vooruitzichten dan minder gunstig zonden worden.

Sluiten