Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Brouwersgracht, boven eene steeukooperij. Spoedig won de nieuwe inrichting zoo zeer de liefde van het Christenvolk, dat men eene rentelooze leening van f 18000 sloot, waarvoor men de gebouwen van de azijnmakerij de Zwaan kocht, welke gelegen waren in de Bloemstraat, hoek Lijnbaansgracht Deze gebouwen werden tot eene doelmatige school ingericht en in 1853 trok Feringa met zijne haveloozen er heen, om er den zoo nuttigen arbeid voort te zetten.

Den 8 April 185G werd de scbool van meester Feringa zelfs met een bezoek van Z. M. den Koning vereerd. Drie verzen van het nieuwe Wilhelmuslied werden gezongen. Op verlangen des Konings werd onderzocht, of de haveloozen den inhoud van het lied verstonden. Volgaarne voldeed Feringa hieraan en naar aanleiding van het lied vond hij gelegenheid met zijne leerlingen te spreken over het ontstaan van een zelfstandig Nederland, als gewrocht der Hervorming, waarbij de Heere God Prins Willem van Oranje als een uitnemend werktuig had willen gebruiken. Na ruim een uur in de inrichting te hebben doorgebracht, vertrok Z. M., zeer voldaan over hetgeen hij gehoord en gezien had, terwijl de kinderen hem toezongen Ps. 134 : 3.

Ongehuwd was Feringa te Amsterdam gekomen. In 1856 evenwel huwde hij met Mej. Robertha Elisabeth Versteeg, met welke beminnelijke en wijze vrouw hij een dertigtal jaren in zeer gelukkigen echt mocht doorbrengen. Van zijne twee kinderen overleed de een reeds jong, terwijl de ander later als dienaar des Woords in het Koninkrijk Gods mocht arbeiden.

Doch werkzaam als hij was, beperkte hij zijn arbeid niet enkel tot de school. Vergezeld van sommige leden van zijn bestuur, zocht hij de oudere zijner leerlingen op en werd daardoor een helper en vertrooster voor menig verlatene. En ook des Zondags kon hij niet rusten. Hij hield dan Zondagsschool, om zoodoende ook leerlingen, die daags niet onder zijn invloed waren, nog ten zegen te zijn.

Met lust volbracht Feringa zoowel in school als daarbuiten zijn moeilijken en veelsoortigen arbeid. Doch in zijne haveloozenschool was hij in zijne kracht. Hij wist de kinderen uit stegen en sloppen, als het ware van de straat opgeraapt, bij elkander te houden en ze te onderwijzen. Hij gewende ze aan tucht en gehoorzaamheid, wist hun liefde en vertrouwen voor zich in te boezemen en had invloed op hen. Het was waarlijk een lust meester Feringa te zien arbeiden

Sluiten