Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het lager onderwijs tot stand te brengen, waarbij de subsidiëering der bijzondere scholen in de wet werd opgenomen.

Het jaar 1889 was daarom voor het Chr. onderwijs zeer belangrijk. Den 8 December toch van dat jaar werd onder het anti-rev. ministerie-Mackay de nieuwe wet op het lager onderwijs aangenomen, die aan de achterstelling van de bijzondere school in beginsel een einde maakte en de schoolstrijd een geheel nieuw stadium deed intreden. Moesten de wetten van 1857 en 1878 worden ten uitvoer gelegd door de gemeente en de Rijksambtenaren, de wet van 1889 stelde de. Christenen zeiven in de gelegenheid, de wet uit te voeren in den geest als door de regeering bedoeld werd. De schoolwet van '57 had het 21 jaren uitgehouden; die van '78, zoo hoogelijk geroemd, kon maar elf jaar halen.

De tijden waren wel veranderd. Groen xde veldheer zonder leger," moest zoo dikwijls klagen, dat hem in de Kamer, als hij streed voor de Vereen, v. Chr. Nat. schoolonderwijs en voor de Chr. school, niet de minste medewerkiug of aanmoediging te beurt viel. Thans echter was er een minister van Binnenlandsche Zaken, die, gesteund door de meerderheid van ons Parlement, de belemmeringen, die de ontwikkeling van het Chr. onderwijs tegenhielden, nit den weg hielp ruimen. De regeering erkende door de wet van '89 de rechtsgelijkheid van het openbaar en het bijzonder onderwijs; ze nam notitie van de Chr. scholen; ze rekende er mede.

Wilden de bijzondere scholen aanspraak maken op de bij de wet toegekende rijksbijdrage, dan moesten ze van een voldoend aantal onderwijzers voorzien zijn. Scholen met minder dan 41 leerlingen konden met één hoofdonderwijzer volstaan en ontvingen 250 gld. subsidie per jaar; scholen met 41—90 leerlingen moesten bij het hoofd één onderwijzer hebben en kregen jaarlijks 400 gld. ondersteuning ; enz. Ook werden aan bijzondere normaallessen en aan hoofden van Chr. scholen rijksbijdragen toegekend voor eiken kweekeling, dien zij tot ouderwijzer opleidden.

Een eerste gevolg van de aanneming van de wet van 1889 was, dat de heeren Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman en Th. Mackay, namens de Anti-rev. Kamerclub een schrijven richtten aan de besturen der Vereen, v. Chr. Nat. schoolonderwijs, van de Vereen, v. Geref. schoolonderwijs, van de Unie en van de Vereen, v. Chr. onderwijzers en onderwijzeressen in Nederland, waarin zij de wenschelijkheid betoog-

Sluiten