Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Art. 2. De grondslag van de Unie is Gods Woord.

Zij gelooft, dat de Heilige Schrift moet zijn de eenige genoegzame

en onfeilbare regel van al haar doen en laten.

»Art. 3. Hare grondbeginselen zijn :

o. De belangen der Christelijke Onderwijzers afzonderlijk zijn ondergeschikt aan die der Christelijke School.

b. Worden de belangen der Onderwijzers in 't algemeen geschaad, dan lijdt de School daaronder.

c. Door behartiging van de belangen der Onderwijzers in 't algemeen wordt de school gebaat.

»Art. 4. Het doel der Unie is:

a. Werkzaam te zijn om de belangen der Christelijke Onderwijzers te behartigen.

b. Te streven naar 't verkrijgen van eene goede rechtspositie deiChristelijke Onderwijzers.

c. Bij de Christelijke Onderwijzers den broederband te versterken.

d. Waar het noodig is, voor hare leden in de bres te springen.

e. Hare krachten in te spannen, om alle Christelijke Onderwijzers de gelegenheid te verschaffen zich aan te sluiten bij »Barnabas" en bij »Johannes" of het «Pensioen- en Ondersteuningsfonds" en den bloei dezer Yereeuigingen zooveel mogelijk te bevorderen.

f. En aldus den bloei van het Christelijk Onderwijs te bevorderen. »Art. 5. De middelen, waardoor de Unie haar doel tracht te bereiken, zijn:

a. Het publiek voorlichten aangaande de noodzakelijkheid en waardij van het Christelijk Ouderwijs, om hierdoor te komen tot beter waardeering van de Christelijke Onderwijzers en hun werk. Dit kan geschieden door de periodieke Christelijke pers, door geschriften, een eigen orgaan, enz.

b. Het onderzoeken en voor zooveel noodig bekend maken van willekeurige handelingen; van verkeerde toestanden, waardoor de belangen van de Christelijke School en hare Onderwijzers worden geschaad.

c. Het houden van vergaderingen ter bespreking van deze belangen.

d. Verzoekschriften of voorstellen indienen bij regeeringslichamen, bij vereenigingen of vergaderingen, zoo dit noodig of gewenscht mocht zijn."

Sluiten