Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Vereeniging te verscheuren; staande de vergadering voelde de heer F. Rumscheidt, die eerst den indrnk ontvangen had, dat bij vergissing »de smet op het kleed der Vereenigiug was geworpen", maar thans inzag, dat dit met volle bewustzijn was geschied, zich genoopt, zijn mandaat als lid des Hoofdbestuurs neder te leggen, welk voorbeeld op den voet gevolgd werd door de heeren W. Jansen en G. P. Post, terwijl ook in den namiddag de heer M. Wiegand er aanleiding uit nam, uit het Hoofdbestuur te treden. De overige leden, de hh. A. C. W. Scheffer, J. C. Wirtz Czn., A. J. Korteweg, R. Husen en A. Wiersinga, hielden de zaken loopende.

De alg. verg. der Chr. Onderwijzersvereen., den 4 en 5 Juni 1895 te Amsterdam gehouden, kenmerkte zich gelukkig door een geest van verzoening en toenadering. Bovendien was door de herkiezing der afgetreden Bestuursleden reeds gebleken, dat de wijziging meer formeel bedoeld was. De herkozenen hadden de benoeming evenwel niet. aanvaard. Ook op die vergadering kwam art. 12 ter sprake en na broederlijke bespreking kwam uien overeen, dat art. 12 zou luiden: »Het Hoofdbestuur der Vereenigiug bestaat uit negen mannelijke leden, die op zijn minst 12 jaar lid der Vereeniging zijn geweest. Zij kiezen uit hun midden een Voorzitter, een Vice-Voorzitter, een eersten Secretaris, een tweeden Secretaris en een Penningmeester. Jaarlijks treedt, volgens rooster, een der leden van het Hoofdbestuur af en is niet herkiesbaar."

Ook was het reeds in den loop van het vereenigingsjaar gelukt het Hoofdbestuur wederom voltallig te krijgen, daar de hh. H. Eerdbeek, H. J. Emous, A. H. Schut en W. Kroese zich eene benoeming hadden laten welgevallen.

In de 17de Jaarvergadering van de Unie, gehouden te Utrecht den lGen April 1895, werd door eene Commissie, bestaande uit de hh. JE. Mackay te 's-Gravenhage, Voorzitter; T. Bos te Bedum; H. J. Emous te Amsterdam; Th. Heemskerk te Amsterdam ; R. Husen te Utrecht; W. Jansen te Utrecht; A. W. Van Kluyve te Middelburg; A. F. De Savornin Lobman te Amsterdam; T. P. Mackay te 's-Gravenhage; M. Noordtzy te Kampen; H. Pierson te Zetten, Schimmelpenninek van der Oye van Hoevelaken te 's-Gravenhage; D. Wijnbeek te Zwolle en R. Derksen te Rotterdam, Secretaris, uitgebracht een rapport, waarin tegen de bestaande regeling van het lao-er onderwijs drie groote grieven werden aangevoerd:

20

G. O.

Sluiten